Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN'.

Dat nu God den mensch het streven om in zijn bestaan te volharden, en daarmee het streven naar bezit, als middel om zich te scheppen een vrijheidssfeer, als een natuurdrift heeft ingeschapen, was om Zich zelfs wil. De Heere toch h^eft alles gewrocht om Zijns zelfs wil; ja, ook den goddelooze tot den dag des kwaads. (Spreuken 16:4.) God zoekt in alles Zich zelf, Zijn eere, Zijn verheerlijking. Hij, de souvereine God, kan Zich zelf niet verloochenen, niet ontkennen, want Hij is de grond van de wereld en daarmee van haar goedheid, haar waarheid, haar eenheid. En zoo is dan ook het Goddelijk bedoelen met de vrijheidssfeer, die de mensch zich gedrongen voelt te scheppen, dat hij daarin, door het vervullen van zijn plichten, God vrijwillig verheerlijke. Wij, menschen, zijn door God op deze aarde geplaatst, wij bestaan en moeten trachten in dat bestaan te volharden, om God; om Hem te verheerlijken, Hem te dienen. Hij schiep ons voor Zich; en met en voor Hem te leven, moet dan ook het laatste doel, het hoogste goed van ons leven zijn. Middel nu, zoo voor het volharden in, als voor het doel van ons bestaan, is de vrije beschikking over een deel van het aardsche goed, m. a. w. de eigendom. Maar, en hierin ligt de zedelijke beteekenis van den eigendom, dit middel moet dan ook naar Gods wil, naar Zijn ordinantie door ons gebruikt.

Die stoffelijke goederen nu, waarvan de eigendom ons noodig is voor ons levensonderhoud, vatten wij saam onder den naam van geluksgoederen. Geluk toch is de harmonie tusschen toestand en behoeften, en voor ons uitwendig geluk zijn deze goederen, zooals woning en voedsel, kleeding en werktuigen, onmisbaar.

Wij kunnen ze nog nader onderscheiden als de economische, in tegenstelling met de niet-economische goederen, of die, welke, zooals de lucht en, in sommige streken althans, ook het water, in zulk een overvloed aanwezig zijn, dat ieder ze kan genieten.

Dringt reeds de natuurdrift tot het verwerven en bewaren van deze economische goederen, deze drang tot verwerving en bewaring wordt eerst verzedelijkt, waar de mensch zich bewust wordt van zijn levensdoel. Ook vossen graven zich holen en vogels bouwen zich nesten, en alle dieren zoeken hun voedsel, zonder er weet van te hebben, dat ook zij zijn om God. Maar de mensch, in wiens ziel uit het geloof de liefde tot God opbloeit; die God liefheeft boven alles; zal ook zich zelf liefhebben om God, omdat hij zich weet Zijn schepsel, Zijn beelddrager, Zijn kind te wezen. De natuurlijke eigenliefde wordt dan tot zedelijke zelfliefde; de mensch wil dan zich zelf liefhebben om God.

En deze zelfliefde doet hem dan eigendom zoeken en bewaren.

De heilige liefde, die hem goed doet willen, wijs en trouw, matig en rechtvaardig, zal hem ook in betrekking tot de verwerving en bewaring van den eigendom doen goed willen en handelen. Het is deze liefde, die hier de z.g. economische of huishoudelijke deugden tot echt zedelijke deugden maakt.

Sluiten