Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN.

Niet slechts „Puriteinen" als Atnesius, maar ook Gereformeerden als Daneau en Taffin, en ook onze Voetius, hebben het kaartspel afgekeurd. En metterdaad valt het onder hazard-spel.

Zeker komt, niet als bij een gewoon dobbelspel, bij het kaartspel alleen het „stom geluk" te pas; er is ook overleg en berekening bij. Maar, of men bij het begin een „goed" dan wel een „slecht" spel in handen krijgt, dat hangt af van het „toeval", en dit reeds maakt het tot een gelukspel.

Is men zich nu als Christen bewust, dat het voor ons toevallige toch niet buiten de Goddelijke determinatie omgaat, dan wordt het nog erger, want dan wordt het een „spelen" met het lot, een misbruiken van het heilige lot.

Afgezien dus nog van het „spelen om geld" — is kaartspel, omdat het hazard is, ongodvruchtig. Wie echter om geld kaartspeelt — en dat wordt waarlijk niet alleen gedaan in gemeene kroegen, maar ook in heel gedistingeerde clubgebouwen en salons —, handelt bovendien onzedelijk, want hij tracht zich op een onrechtmatige wijze eigendom te verwerven; bederft de gezelligheid.

Te recht heeft men zulk spel dan ook een „anti-sociaal monster" genoemd. Wanneer toch het spelen tot een hartstocht, tot een ondeugd wordt, en dat wordt het zeer licht, is bij zulk een „speler" de arbeidslust weg.

Het monster heeft hem te pakken.

Tot de „gelukspelen" en mitsdien tot de onrechtmatige middelen om zich eigendom te verwerven, behoort ook de loterij. Wij hebben vroeger bij het derde gebod uitvoerig gehandeld over de „heiligheid van het lot". En wel is het „loten" op zich zelf dan ook niet zondig en het „lot van verdeeling", de sors divisoria, een middel, dat bij de toedeeling van een goed, waarop allen gelijke rechten hebben, of bij het opleggen van een last, waartoe allen gelijkelijk verplicht zijn, mag toegepast; maar met dit „heilig gebruik" van het loten, waarbij het te doen is om Gods beslissing, — heeft de loterij niets te maken. Bij haar toch gaat het niet om de verdeeling van een goed waarop allen recht hebben, want het recht dat men zich met het koopen van een lot heeft verworven, is slechts het recht op de kans om een winst te maken, indien het nummer, dat men heeft ontvangen, met een prijs uitloot. Bij haar gaat het niet om Gods beslissing, maar om de beslissing van het „Geluk", — „men biedt de „Fortuin" de hand!" — Of, waar men op Christelijk standpunt staat en dus niet aan „Fortuin" en „Toeval" gelooft, gaat het bij de loterij om een zondig spel met de Goddelijke voorzienigheid. Daarbij komt dan nog, dat men bij de loterij, gelijk bij alle „gelukspelen", winst bedoelt te trekken uit het verlies, uit de schade van zijn naasten, en dit nu strijdt tegen de „verwisselende gerechtigheid". In sterker mate nog dan de Roomsche, hebben de Gereformeerde zedeleeraars de loterij, op deze gronden, veroor-

Sluiten