Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — WAARHEIDSZIN EN EERGEVOEL.

zult gij er ontmoeten, wier gemoed in heftige beweging komt, die boos worden, als men hun iets „opstrijdt", wier onlustgevoel dan ontwaakt; en daartegenover ook anderen, die daar veel kalmer onder blijven en wier waarheidsgevoel niet zoo spoedig wordt gekwetst.

Dan, hoe dit zij, hoe zwak het waarheidsgevoel bij een mensch ook kan worden, door het liegen op zich zelf wordt het altijd geschokt.

Liegen en hooren liegen gaat altijd gepaard met een gevoel van onlust; door een sterker lustgevoel moet liegen overwonnen.

Indien men de geheel minderwaardigen, de lijders aan zulke zielsziekten waarbij alle moreel besef weg is, uitzondert, liegt niemand alleen uit lust tot liegen.

Toch is dit natuurlijk waarheidsgevoel nog allerminst een zedelijke deugd, een hoedanigheid van den wil. Dit komt ook hierin uit, dat menschen met een zelfs sterk ontwikkeld waarheidsgevoel, toch vaak liegen.

En hoewel nu niet kan en mag ontkend, dat er, ook onder de onbekeerden, menschen zijn van een waarheidszin, die u weldadig aandoet; menschen, bij wie de zin tot waarheid een deugd van hun willen is; moet evenzeer worden vastgehouden, dat de echte waarheidszin, gelijk alle echte deugd, alleen opkomt uit de heilige liefde tot God, welke is een vrucht van het zaligmakend geloof. Wanneer Gods bijzondere Genade het ongeloof weer doet omslaan in geloof en de liefde voor Hem maar doorwerkt, gaat de mensch ook zich zelf weer liefhebben in en om God, en weet hij niet alleen aan God en zichzelf verplicht te zijn de waarheid te betrachten, maar zal hij ook zin en liefde tot de waarheid hebben. De waarheidszin is dan opgenomen in zijn willen, en dit zijn willen zal dan zijn denken, zijn begeeren, zijn gemoedsbewegingen, kortom, heel zijn innerlijk zieleleven beheerschen en richten op de waarheid; ook en allereerst in betrekking tot zich zelf.

Men spreekt van: „waar zijn tegenover zich zelf."

In goeden zin wil dat zeggen, dat men niet schroomt, over zich zelf critiek te oefenen; zich zelf te beoordeelen.

Nu eischt zulk een zelfbeoordeeling tweeërlei.

Allereerst kennis van een norm, een maatstaf, waarnaar men zich beoordeelt, en in de tweede plaats zelfonderzoek en zelfbeproeving.

De wereld oefent ook wel zelf critiek ; doch let er maar op, hoe wereldsche menschen daarbij hun norm of maatstaf ontleenen öf aan een ideaal van den mensch dat zij zich zelf hebben gevormd, öf aan wat de Duitschers noemen: „den doorsneê-mensch", d. w. z. de mensch zooals hij gewoonlijk is, zoo tusschen den misdadiger en den heilige in. De diepere geesten onder de kinderen der wereld betreuren het dan wel, als zelfonderzoek ze leert, dat zij verre beneden hun ideaal staan, maar nooit wordt deze droefheid der wereld tot droefheid naar God; nooit wordt hun anders-zijn-dan-zij-wezen-moeten, hun tot schuld voor

Sluiten