Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — WAARHEID SPREKEN.

Beginnen wij met het eerste-: het met onzen naaste niet anders te spreken dan wij denken.

De ethische of zedelijke waarheid is, zooals wij reeds vonden, de overeenstemming van ons denken met ons spreken.

In de wondere gave van de taal, die niet maar een vrucht van overeenkomst, die niet maar door menschen gemaakt is, maar van nature geworden, heeft God ons het middel gegeven om wat er in ons bewustzijn is van voorstellingen, begrippen en oordeelen, aan onze medemenschen kenbaar te maken.

Wij doen dat door het -woord.

Het woord wijst, als men de z.g. „tussclienwerpsels" uitzondert, altijd een begrip, een gedachte aan.

Daarom is het woord ook meer dan 'n klank.

Ook de hoogere dieren, die in hun keel en tong, hun tanden en lippen, dezelfde organen hebben als wij, stooten wel klanken, maar geen woorden uit. En door de trilling van de lucht worden die klanken dan wel overgebracht op de gehoorzenuwen van hun soortgenooten en komt zoo in het bewustzijn van het eene dier van wat er aan zinnelijk lust- of onlust-gevoel in dat van het andere is, maar toch kan men niet dan in oneigenlijken zin bij de dieren van een taal spreken.

Spreken toch geschiedt in woorden, en het woord vormt met de gedachte een eenheid.

In ons rede zit gedachte èn woord.

En juist omdat het woord op een begrip, op een gedachte wijst en de dieren niet denken, d. i. begrippen vormen, en door begrippen aan begrippen toe te kennen of te ontzeggen, oordeelen — daarom ook spreken de dieren niet.

In het spreken, in het woord, in de taal komt mee uit het specifiek, het soortelijk verschil tusschen mensch en dier.

Het „spreken" van een ekster of papegaai is dan ook meer schijn dan wezen. De woorden die men ze heeft geleerd, zijn niet dan klanken ; het dier denkt er niet bij.

Deze wondere gave van de taal, deze natuurgave, moeten wij gebruiken tot het doel, waartoe God ze ons heeft geschonken: het mededeelen aan onze naasten van onze gedachten. Zijn alle menschelijke uitvindingen niet dan ontdekkingen van wat God in Zijn schepping gelegd heeft, ook de uitvinding van het schrift en van de taal der „teekenen" — er is zelfs een „bloementaal" — zijn ontdekkingen, door God verordineerd, om onze gedachten aan elkander kenbaar te maken. Geen middel daartoe is echter zoo rijk, geen dat het menschelijk saamleven zoo verhoogt, als de spraak, de taal, de levende taal.

Als gij het indenkt, kunt gij er uw God niet genoeg voor danken, dat gij spreken kunt; dat gij het spraakvermogen hebt, en moet het medegevoel der deernis zich bij u verbinden aan de voorstelling der stomgeborenen.

Sluiten