Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — WAARHEID SPREKEN.

Is het een onvoorwaardelijk gebod om nooit anders te spreken dan wij denken; is het onder geen enkele omstandigheid geoorloofd te liegen; het is er echter verre van af, dat het altijd pljcht zou wezen, te zeggen al wat men denkt.

Evenals wij onze kostbaarheden wegsluiten en de deur van ons huis grendelen, zoo hebben wij ook op geestelijk gebied de geslotenheid te betrachten.

De wederzijdsche ontsluiting der zielen, de uitruiling der gedachten, het overdragen van den bewustzijns-inhoud, welke door het rvoordtot stand komt, hebben zekere grenzen.

Men is niet verplicht alles te zeggen wat men denkt, ook al mag men niet anders zeggen dan men denkt.

Er is een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken. (Prediker 3 : ~]b). Een zot laat zijnen ganschen geest uit; maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts. (Spreuken 29: 11.)

En ons volksspreekwoord, dat spreken zilver en zwijgen goud noemt, is, in zijn toekennen van meerdere waarde aan het zwijgen dan aan het spreken, in zijn algemeenheid niet onjuist. Er is zeker ook een ontijdig zwijgen, gelijk er ook een ontijdig spreken is. Wie zwijgt wanneer het oogenblik gekomen is om van de waarheid te getuigen, zwijgt ontijdig ; maar niet altijd en overal is het plicht om te getuigen. En al is het ook plicht om niets dan de waarheid te zeggen, het is allerminst plicht om alle waarheid uit te spreken. Zelfs in het zoo intieme oogenblik van de „laatste gesprekken" sprak Jezus tot de Zijnen: „Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, maar gij kunt die nu niet dragen." (Joh. 16 : 12.) Niet toch alleen de zondigheid der menschen in het algemeen, maar bepaaldelijk hun onverstand, hun gemis aan vatbaarheid en ook hun onbetrouwbaarheid maakt het noodig, in het uitspreken van onze gedachten zekere voorzichtigheid te betrachten. Hij, „in Wiens mond geen bedrog is geweest" (Jesaja 53 : 9), Jezus zelf, heeft ons het voorbeeld van zulk een voorzichtigheid gegeven. Toen Zijn nog ongeloovige broeders Hem aanspoorden, met hen op te gaan naar Jeruzalem, naar het loofhuttenfeest, was Zijn antwoord: „Mijn tijd is nog niet hier; maar uw tijd is altijd bereid. Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga niet op tot dit feest: want Mijn tijd is nog niet vervuld." (Joh. 7 : 6 en 8.) En als Jezus dan later, nadat Zijne broeders opgegaan waren, naar Jeruzalem tot het loofhuttenfeest opging, „niet openlijk, maar als in het verborgen," dan was dat niet een veranderen van Zijn oorspronkelijk plan, en evenmin was het zeggen tot Zijn broeders een onwaarheid of ook zelfs maar een spitsvondigheid. Metterdaad toch wilde Jezus, „omdat de Joden Hem zochten te dooden" (vs. 1), niet openlijk, niet met de feestgangers opgaan naar Jeruzalem, en bleef Hij dan ook, nadat de feestkaravaan vertrokken was, nog een tijd in Galilea. Dat Hij heel niet op het feest wilde komen, had Hij niet gezegd; veeleer lag in het tweemaal zeggen, dat Zijn tijd nog niet gekomen was, een aanduiding van het tegendeel. Hadden de broeders gevraagd, of Hij naar Jeruzalem reizen wilde, Hij zou het, indien Hij daarop een antwoord had willen geven, niet hebben ontkend; al is het ook waarschijnlijk, dat Hij, in de gegeven omstandigheden, de vraag zou hebben afgewezen. In het

Sluiten