Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN S HEER EX ORDIN ANTIËN'.

deze of gene slechte handeling te verrichten. Dan toch eischt de liefde, hem dat niet alleen te ontraden, maar ook maatregelen te nemen hem daarin te verhinderen, en tot die maatregelen kan het dan ook behooren, dat gij het booze voornemen aan anderen bekend maakt.

Maar het kan ook plicht zijn, wat u omtrent verleden handelingen als een geheim is toevertrouwd, te openbaren.

Wanneer uw vriend u onder het zegel der geheimhouding mededeelt, dat hij een moord heeft begaan, een diefstal heeft gepleegd, en een onschuldige wordt van dit misdrijf verdacht, er om veroordeeld, dan hebt ge uw vriend te vermanen, te smeeken, zijn schuld te belijden, en moet ge, indien hij u geen gehoor geeft, den onschuldige redden.

Binnen deze grenzen moet echter het ons toevertrouwde geheim bewaard.

Het moeilijkste is echter, zooals wij reeds opmerkten, het te bewaren, indien men er naar gevraagd wordt. Hier het verzwijgen te paren aan de waarheid; zonder onwaarheid te zeggen, toch niet te openbaren wat ge weet; is vaak een zeer moeilijke taak. Men kan den onbescheiden vrager afwijzen, maar in de meeste gevallen is juist door het niet antwoorden het geheim reeds zoogoed als ontdekt.

Liegen mag nooit.

Zich onwetend houden is evenzeer ongeoorloofd.

En indien een geheim dan ook op geen andere wijze te bewaren is, mag het niet bewaard, want nooit mag men het zedelijk onmogelijke doen.

Toch kan in vele zulke gevallen de zedelijke voorzichtigheid, de zedelijke wijsheid hier een weg vinden.

Zonder zich schuldig te maken aan een leugen, kan en mag men toch de waarheid gedeeltelijk verbergen.

Als Rebekka hoort van Ezau's wraakzucht tegen Jakob en zij dezen daarom naar Haran, tot haar broeder Laban zendt, dan geeft zij, om het vaderlijk gevoel van Izak te sparen, voor Jakob's vertrek' een anderen en toch waren grond: „Indien Jakob eene vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn ?" (Genesis 27 : 46.) Als Mozes uit Midian naar Egypte trekt om Israël te verlossen, dan noemt hij, om Jethro, zijn schoonvader, niet te verontrusten, niet het hoofddoel, maar een bijkomstig doel van zijn tocht: „Laat mij toch gaan, dat ik wederkeere tot mijne broederen, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven." (Exodus 4: 18.)

Naast den plicht om in het verkeer met onze naasten niet anders te spreken dan wij denken, ligt in het negende gebod ook de plicht om, in het verkeer, over onze naasten niet anders te spreken dan wij denken.

De nadruk valt hier op spreken.

Het gaat hier toch om den naam van onzen naaste, welke, zooals wij reeds zagen, op het innigst samenhangt met zijn eer.

Sluiten