Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARHEID. — LIEGEN'.

ook de Christelijke Philosophie zooveel te danken heeft. In dat geschrift: Tegen de leugen, definieert hij haar als: een tekennengeving, een aanduiding van het valsche, met den wil om te bedriegen (falsa significatio eum voluntate fallendi).

Dit geschrift, waarvan de volledige titel is: Contra mendacium ad Consentium, is ook daarom zoo lezenswaardig en voor de Christelijke zedeleer van zoo groot belang, omdat Augustinus er grondig en bondig in weerlegt, dat de z.g. noodleugen — waarover straks nader — zou geoorloofd zijn. Het boekje toch dankt zijn ontstaan aan de omstandigheid, dat de Priscillianen — een kettersche sekte, dus genoemd naar zekeren Priscillianus —, die, om hun goddelooze leer en onzedelijke praktijken ingang te doen vinden, leugen en meineed, huichelarij en veinzerij goedkeurden en in toepassing brachten, waar het de instandhouding en uitbreiding hunner gemeenschap gold, zich ook van de noodleugen bedienden — dat deze Priscillianen, die als sekte bestaan hebben van 380—563, met name wat de noodleugen betreft, ook invloed gingen oefenen op de katholieke Christenen. Vele katholieke Christenen gingen toen meenen, dat het ook hun geoorloofd was, althans in het belang van het Geloof, een noodleugen te gebruiken.

Hiertegen schreef Augustinus, toen hij in 415 werd aangezocht de dwalingen der Priscillianen te bestrijden, zijn zooeven genoemd boekje.

Het diep zondige van de leugen in het algemeen, haar duivelsch karakter, waarom onze Heidelberger in antwoord 112 dan ook te recht van „allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels," spreekt, bleek ons reeds bij de bespreking, in het eerste hoofdstuk, van het woord van den Heiland tot de Joden: „Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven: want geene waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen: want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen." (Joh. 8:44.)

De duivel de vader der leugen. Uit hem en door hem is zij ontstaan in de wereld der geesten, en door hem kwam zij in de wereld der menschen. Zij richt zich altijd als ontkenning tegen wat God bevestigt; daarom is de duivel de geest, die steeds ontkent. Gelijk alle ontkenning, zoo richt zich ook die des duivels tegen een reeds bestaande bevestiging; de bevestiging, de affirmatie, is altijd eerder dan de ontkenning, de negatie. De duivel richt zijn ontkenning tegen de eeuwige waarheid, en dat, sedert hij, zich losmakend van God, innerlijk onwaar geworden, de eeuwige waarheid haat. Liegen is in den meest letterlijken en strengen zin uit den duivel.

„Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken," — zoo vermaant de Apostel in zijn brief aan de Colossensen (3 :9). Liegen is uit „den ouden mensch", uit den mensch, die nog niet door den Geest veranderd, vernieuwd is;

Sluiten