Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt mij derhalve vóór dat art. 104 nimmer toepassing zal kunnen vinden l).

2. Hulp verleenen aan den vijand of benadeelen van den staat is eigenlijk niet eene handeling, maar het gevolg van eene handeling. Velerlei handelingen kunnen daartoe strekken, welke de wet niet specialiseeren kan; zij hebben een gemeenschappelijk kenmerk, nl. dat zij hulpverleening of benadeeling opleveren.

Zij moeten ook als daden van hulp of benadeeling zijn gekend, anders zouden zij geen opzettelijk hulp verleenen of benadeelen opleveren.

Eene daad welke het hier genoemde gevolg niet heeft of waarbij dit gevolg niet doorzien was, valt niet in de termen van het artikel. Dat geldt ook van de daden in het tweede lid genoemd, maar aan deze is uit haren aard het gestelde vereischte inhaerent (zie de vorige aanteekening) 2).

3. Van welken aard de daden van hulp of benadeeling zijn, doet niet af. In het wetboek zelf zijn sommige feiten strafbaar gesteld, ook al zijn zij daden van hulp of benadeeling in tijd van oorlog, zóó bij art. 98, 99, 100 2°, 105. Zoodra die feiten werkelijk daden van hulp of benadeeling uitmaken, vallen zij onder art. 102, dat van art. 99 bijv. in geval van vredesonderhandelingen.

Het misdrijf van art. 101 is altijd eene daad van hulp aan den vijand wanneer het in tijd van oorlog gepleegd wordt.

4. De bepaling is, wat den dader betreft, zeer algemeen, en zij

1) In liet wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) zijn uit art. 104 de woorden die op het oogmerk betrekking hebben weggelaten.

-) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 5 en 10, zien hier de noodzakelijkheid van het aannemen van tweeërlei opzet: dat om de bepaalde handeling te verrichten en dat om den vijand te helpen of den staat te benadeelen, en zulks in tegenstelling met het eerste lid, waarbij alleen het laatstgenoemde opzet gevorderd zou worden. I)e tegenstelling is onjuist en in strijd met hetgeen de schrijvers zeiven in aanteekening 4 leeren. Ik wees er reeds op dat het hulp verleenen of benadeelen zelf geene daad is, maar eene qualificatie van bepaalde daden, waarvan in het tweede lid eenige bijzonder belangrijke genoemd worden. Het is overigens niet tweeledig, maar omvat de handeling met haar gevolg in één geheel, gelijk bij zoovele andere misdrijven. Naar de bestredene opvatting zou men bij sommige handelingen van het tweede lid aan drievoudig opzet moeten denken, bijv. bij teweegbrengen van desertie het opzet om de handeling te verrichten , om daarmede desertie te weeg te brengen, en oiu daardoor den vijand te helpen of den staat te benadeelen.

Sluiten