Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of de toegang geoorloofd is wordt beslist naar de voor elke begraafplaats bestaande verordeningen van overheidswege, of andere bepalingen door eigenaren van particuliere begraafplaatsen vastgesteld.

liet doel van hem die den toegang verlangt kan op zich zelf niet beslissend zijn. Anders oordeelt hierover liet Gerechtshof te Amsterdam in zijn aangehaald arrest met betrekking tot het verlangen 0111 graven van verwanten te bezoeken, steunende op de genoemde uitlating der Kegeering bij de behandeling der Begrafeniswet, waarbij wordt gezegd dat de wet tegen inbreuken op de vrijheid van zulk bezoek dient te waken. Maar daarvoor was toch ook de algemeene inkleeding tier strafbepaling van de Begrafeniswet niet voldoende; en overigens bevat die wet geene bepaling omtrent de toegankelijkheid, zij waakt dus in werkelijkheid niet i).

:i. Het verhinderen of belemmeren van den geoorloofden toegang is ook aanwezig wanneer de toegang voor enkele personen wordt afgesneden of bemoeielijkt; sluiting voor iedereen wordt door de woorden van hot artikel niet geëischt.

4. Het geoorloofd vervoer van een lijk wordt bepaald door de wettelijke verordeningen op het stuk van lijkenvervoer bestaande, en berustende op art. 7 en 8 der Begrafeniswet.

Of het geoorloofd is haugt echter niet altijd af van het geoorloofde der begrafenis die er het doel van is.

In den regel zal wel het vervoer zoodanig met het begraven samenhangen dat de verbodsbepalingen voor het laatste ook het geoorloofde van het eerste beheersehen. Maar het vervoer kan ook plaats hebben zonder dat het met eene begrafenis eindigt, bijv. wanneer het lijkenhuis waarheen overledenen aan bepaalde ziekten zelfs binnen 36 uur (miniraumtermijn van geoorloofde begraving) kunnen worden vervoerd (art. 6 laatste lid der Begrafeniswet) op eene begraafplaats staat.

Dat hier alleen het bij art. 8 bedoelde vervoer beschermd wordt blijkt uit de woorden „vervoer naar eene begraafplaats." De bepaling is wel wat eng; niet alleen ontbreekt de strafbepaling op verhindering en belemmering van het vervoer naar een lijkenhuis, zoo dat niet op eene begraafplaats mocht staan (wat trouwens niet dikwijls zal voorkomen), maar ook die van het vervoer naar een crematorium, dat niet verboden is, al kan het hier te lande niet zijn volle beslag krijgen zoolang lijkverbranding niet geoorloofd is, en eveneens op die van het vervoer van een lijk dat niet begraven maar ontleed of bewaard wordt, eene behandeling die de wet in art. 1 uitdrukkelijk veroorlooft.

]) VrI. I'dienaar 111 Tijdschrift voor strafrecht XIII, blad/.. 14 en volg.

Sluiten