Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Of er gevaar te duchten was moet beoordeeld worden niet ex post facto maar naar liet oogenblik waarop het misdrijf gepleegd werd l) en dus naar de kennis van de omstandigheden die toen mogelijk was.

Er is dus tweeërlei vraag te stellen: of er werkelijk gevaar bestaan heeft, en of dat was te voorzien.

De beantwoording zal dikwijls niet zonder moeielijkheden zijn. Het is reeds niet gemakkelijk voor den beoordeelaar zich te stellen op het standpunt dat ingenomen moest worden vóór de gebeurtenis, vooral omdat men zoo licht geneigd is naar den uitslag te oordeelen indien over het bestaan beslist moet worden van een zoo vluchtig begrip als gevaar.

Wanneer bij eene ramp niemand is omgekomen zou men naar strikt causaliteitsbegrip kunnen volhouden dat er dus ook geen gevaar is geweest; de omstandigheden blijken toch van dien aard en zoo samengesteld geweest te zijn, dat inderdaad het leven niet kon verloren gaan; het samenstel was dan zoodanig dat het gevaar dat door eene omstandigheid op zich zelve teweeggebracht had kunnen worden door liet ingrijpen van de andere werd voorkomen.

Wanneer iemand een ander in het water werpt in tegenwoordigheid van oenen derde die de reddende hand met goed gevolg uitsteekt, dan was er geen gevaar van verdrinken want door de hulp werd het verdrinken onmogelijk.

Zóo moet de zaak echter niet worden beschouwd.

Het gevaar bestaat wanneer naar den gewonen loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de mogelijkheid en waarschijnlijkheid van noodlottigen afloop aanwezig is. Dit geldt zoowel van het ontstaan van het gevaar, welk laatste anders onmogelijk zou zijn, tenzij de uitkomst bewees dat datgene waarvoor gevaar geducht werd ook werkelijk heeft plaats gegrepen 2).

Wordt iemand in diep water geworpen dan is er gevaar voor zijn loven te duchten, dat door hulp kan worden afgewend.

Er is dus gevaar te duchten wanneer eene sterke mogelijkheid

1) Zóo de Minister; ik zou liever spreken van het oogenblik laatstelijk voorafgaande aan het plegen van het misdrijf, immers al veranderde het inzicht tijdens het plegen, dit zou niet meer kunnen afdoen. Vgl. de conclusie van den Advocaat generaal de Savornin Lohman bij het arrest van den Hoogen Raad van 31 Januari 1887, Wbl. 5400, dat arrest en het arrest van 1.~> Augustus 18! 13, Wbl. 0378, P. v. J. 1893, no. 70.

2) Xoodlottige afloop als gevolg is niet noodig; het gevaar heeft bestaan ook wanneer het tijdig is afgewend, Rechtbank te 'sGravenhage 28 December 1893, Wbl. 6449.

Sluiten