Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel eens, bijv. bij aanbestedingen, eene gift ondersteld en stilzwijgend gegeven en aangenomen wordt.

Belofte is liij no. 2 niet herhaald; wordt den ambtenaar na zijne ambtsverrichting alleen eene belofte gedaan, dan kan naai- liet oordeel der Regeering het feit straffeloos blijven: wordt de belofte vervuld, dan is er eene gift.

3. Gift staat tot belofte als het gegcvene tot hetgeen waarvan het geven in uitzicht wordt gesteld.

Hij geen van beide behoeft juist gedacht te worden aan iets materieels, iets dat vatbaar is om van hand tot hand te worden overgegeven, noch ook iets dat op geldswaarde kan worden geschat. De wet maakt hieromtrent geen onderscheid, en terwijl men hij gift nog zou willen denken aan iets dat feitelijk gegeven, in handen gesteld wordt, eischt het begrip van belofte in geen geval zoodanige beperking; de samenkoppeling van gift en belofte brengt nu mede dat van liet eene de grenzen niet enger zijn dan van het andere. Al wat het voorwerp van belofte kan zijn, kan ook dat van gift wezen; zoo kan men ook in den zin van dit artikel iemand een recht, eene bevoegdheid, de vrijheid om iets te doen of na te laten, schenken.

Het voorwerp van de gift of de belofte zal echter eenige waarde moeten hebben, zij het ook eene ideëele, zij hot ook alleen voor hem aan wien zij wordt gedaan; het geven of beloven van iets dat absoluut waardeloos is kan niet gift of belofte heeteii.

Dat aanneming van de gift of de belofte niet noodig is brengt mede dat men bij de vaststelling van het begrip zich zal moeten losmaken van de bepalingen van het Burgerlijk wetboek, en noch aan schenking noch aan verbintenis denken; het enkele doen is beslissend, onafhankelijk van het rechtsgevolg.

Bestaat nu het doen van eene gift in iets te geven, het doen van eene belofte in iets toe te zeggen, de vraag ontstaat hoe te beschouwen is het aanbieden van iets dat als gift bedoeld is maar niet in handen komt van hem voor wien het bestemd is; het toereiken bijv. van geld aan iemand die dat echter weigert zoodat het hem feitelijk niet in de hand gestopt kan worden.

Bij een vonnis der Rechtbank te Leeuwarden van 1U December 1887 1) werd het toereiken van niet aangenomen geld als het doen van eene gift, bij arrest van het Gerechtshof aldaar in liooger beroep als het doen van eene belofte opgevat.

Bij een ander vonnis derzelfde Rechtbank van 2 Februari 1888

1) Medegedeeld in Tijdschrift voor strafrecht V, likulz. 41*7.

2) Tijdschrift voor strafrecht 1, bladz. 54(j, ad art. 40.

Sluiten