Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning 1 op art. 317. Ik beoog' eene wederrechtelijke toeëigening, eene met den ambtsplicht strijdige handeling indien ik do voorgenomene toeëigening voor wederrechtelijk, de verlangde daad voor ongeoorloofd houd.

Alleen de animus is daarom beslissend; de dader wilde eene bepaalde verrichting; het misdadige van zijne daartoe strekkende handeling bestaat in zijne bedoeling om eene ongeoorloofde verrichting te verkrijgen ').

Ik ontken intusschen niet de wenschelijkheid dat de wet zicli anders had uitgedrukt, en strafbaar had gesteld het doen van eene gift of belofte om den ambtenaar te bewegen in zijne bediening iets te doen of na te laten, indien dit doen of nalaten in strijd met zijnen plicht zoude zijn.

9. De ambtenaar die eene gift of eene belofte aanneemt is volgens art. 302 en 3G3 alleen strafbaar wanneer hij met hot oogmerk van hem die ze doet bekend is. Deze voorwaarde bestaat echter niet voor de strafbaarheid van den gever; hij is strafbaar ook zonder dat bij den ambtenaar met de bedoeling van do gift in kennis stelt. Daarom valt in de termen van dit artikel degene die aan eenen ambtenaar iets geeft of belooft met de bedoeling dezen in zijne macht te krijgen door later bij het vorderen van eene ongeoorloofde ambtshandeling zich op het aannemen van de gift of de belofte te kunnen beroepen. Hot verband tusschen de gift of de belofte en het oogmerk om daardoor eene ongeoorloofde daad te verkrijgen zal hier dikwijls moeielijk te bewijzen zijn, maar wanneer het bewijsbaar is bestaat voor straffeloosheid geene reden.

10. De woorden „in zijne bediening" behooren bij doen of nalaten,

') Uit de aangehaalde beslissing volgt voorts dat de Hooge Raad niet deelt den twijfel door Polenaar en Heemskerk in aanteekening 8 neergelegd, en ook geopperd door 't Hooft, t. a. p. bladz. 44, of, doordien de woorden „in strijd met zijn plicht" tusschen kommaas geplaatst zijn, nu gelezen kan worden alsof die woorden eenvoudig eene aanwijzing zijn dat de daad, alleen omdat zij door <le gift of de belofte is uitgelokt, in strijd met den plicht van den ambtenaar is, vermits de ambtenaar volgens art. 302 reeds in strijd met zijnen plicht handelt als hij ten gevolge van de gift of de belofte er toe overgaat eene overigens geoorloofde daad te verrichten of na te laten wat op zich zelf door hem nagelaten mocht worden. De twijfel der genoemde schrijvers is trouwens niet ernstig; zij komen gezamenlijk tot de slotsom, dat de wetgever niet de naïveteit kan hebben gehad om hier den ambtenaar eenen wenk te geven omtrent het ongeoorloofde van hetgeen bij art. 302 en 303 strafbaar wordt gesteld.

Sluiten