Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„of bergplaatsen van vleesch toe te laten, belemmering of verhindering „van de tenuitvoerlegging van deze wet of van onze .... voorschriften."

Tegen liet laatste gedeelte van dit voorstel verzette de Regeering zich op grond dat de belemmering of verhindering dikwijls lietreft bijzondere personen die doen wat de wet haar voorschrijft, en daarbij tegen anderen die haar zonden willen hinderen beschermd moeten worden.

Do Commissie deed opmerken dat bijzondere personen niet gezegd kunnen worden de wet ten uitvoer te leggen; zij wilde zich echter tegen den wenseh van den Minister — dien zij als den bekwamen ontwerper der veeartsenij wet eerde — niet verzetten, vooral niet toen deze, om aan de laatste opmerking tegemoet te komen, het artikel wijzigde als volgt: Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet, enz.

Intusschen was het hoofdbezwaar der Commissie niet opgelost; onder hetgeen geschiedt tot uitvoering van de wet zijn toch voorzeker ook de handelingen der ambtenaren begrepen. Men had dus den ouden aanhef van het artikel moeten behouden om duidelijk te doen uitkomen dat de handelingen tegen ambtenaren vallen onder art. 184.

Thans zal alles wat tegen ambtenaren die de veeartsenijwet uitvoeren verricht wordt aan de toepasselijkheid van art. 184 onttrokken zijn zoo het maar in de op zich zelve meer algemeene omschrijving van art. 3;> valt en belemmering of verhindering uitmaakt; dat artikel geeft toch de bijzondere strafbepaling voor veeartsenijzaken tegenover de algemeene van art. 184, zoodat het tweede lid van art. 55 van het wetboek moet worden toegepast.

c. Art. 53 vierde lid der wet van fl April 1875, Stbl. 07, voor zoover het straf stelt op het voortzetten van eenen spoorwegdienst door de bestuurders na een bevel tot staking.

De Regeering achtte het twijfelachtig of dit feit zou kunnen vallen onder art. 1S4, maar wilde in elk geval de bepaling handhaven omdat het feit strafbaar behoort te blijven met de hoogcre straffen der speciale wet!).

Den geopperden twijfel acht ik ongegrond, terwijl de meening dat do speciale wet hoogcre straf stelt dan art. 184 onjuist is; zij bepaalt slechts geldboete, zij het ook tot liooger bedrag dan art. 184, volgens hetwelk daarentegen ook gevangenisstraf kan worden opgelegd.

De straf kan mot een derde worden verhoogd ingeval het feit is begaan op gebied dat in staat van oorlog of van beleg is verklaard, art. 48 der wet van 23 Mei 1899, Stbl. 128.

1) Smidt V, eerste druk 362, tweede druk 196.

noyon, Het Wetb. v. Strafr. II, 2e druk. 20

Sluiten