Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt.

Hieronder valt nu niet alleen de getuigeneed en de partijeneed in eea rechtsgeding, maar ook elke verklaring onder eede in andere rechtshandelingen.

Het wettelijke voorschrift waarop de eed berust behoeft hem niet juist uitdrukkelijk te vorderen. Er zijn gevallen in de wet waarvoor niet met zoovele woorden staat geschreven dat iemand eenen eed zal afleggen, maar waarin de omschrijving den eisch der wet aanduidt; zóo bij verzegeling, art. 661 70 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, waarin alleen gesproken wordt van den eed die moet worden afgelegd zonder dat het rechtstreeksche voorschrift tot het afleggen ergens te vinden is, bij boedelbeschrijving, art. 681 70 aldaar, waar, sterker nog, eenvoudig voorgeschreven wordt vermelding van den eed die afgelegd is. Hetzelfde treft men aan ten opzichte van de rechtsgevolgen van den eed, bijv. van dien van deskundigen, die niet evenals getuigen tot eenen eed verplicht kunnen worden, en aan wier eed geen rechtsgevolg wordt verbonden krachtens uitdrukkelijke bepaling, maar krachtens de bepaling die de eedsaflegging regelt en dus hare beteekenis stilzwijgend aanneemt, art. 224 jO. 229 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. De wet kent meer dergelijke gevallen l).

2. De omschrijving, „de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen 2) verbindt", eene uitbreiding bevattende in vergelijking 0. a. met art. 361 Code penal waarin slechts bepaalde eeden worden genoemd, houdt daarentegen eene beperking in voor zoover er niet in begrepen is een eed die in strijd met de wet is afgelegd, d. i. die <)f niet door een wettelijk voorschrift gevorderd wordt of daarbij zonder rechtsgevolg gelaten is.

Zóo verbiedt de wet het hooren onder eede van getuigen die den wettelijk bepaalden leeftijd niet bereikt hebben; hun eed is dus noch gevorderd noch met rechtsgevolg bekleed, zelfs niet in het geval van art. 403 Wetboek van strafvordering, waarin volgens de geldende rechtspraak ook de onbeëedigde verklaring van de persoon tegen wie het misdrijf gepleegd is als bewijsmiddel in verband met bekentenis kan strekken; het rechtsgevolg is hier aan de verklaring, niet aan den eed verbonden: zie ook art. 10f)0 7ft Burgerlijk wetboek i).

') Zie Polenaar on Heemskerk, aantekening (i.

ƒ) Art. 207 spreekt min juist van rechtsgevolgen: «leze meervoudsvorm verleide niet tot tien eisch van meer dan i'en gevolg.

3) I11 het zevende deel der Rechtsgeleerde adviezen, bladz. 7, wordt eene

Sluiten