Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat het gestelde geval zoo moeielijk kan voorkomen, aan eene met art. 210 2i' correspondeerende bepaling geene behoefte bestaat, terwijl in art. 210 te allen overvloede die bepaling is opgenomen.

Deze twee verklaringen zijn niet geheel met elkander te rijmen. Is no. 2 van art. 210 te allen overvloede opgenomen dan valt het daarbij bedoelde feit ook onder namaak, maar dan is bij art. 208 ook niet omdat het geval haast niet kan voorkomen de bepaling weggelaten, maar omdat zij uit een juridiek oogpunt onnoodig was.

De Minister voegde er uitdrukkelijk bij dat, zoo hot geval voorkwam, hij wederrechtelijk doch met den echten stempel geslagene munt even goed valsch zoude noemen als geld dat — zij het ook van het vereischte gehalte — niet aan 's rijks munt onder toezicht en controle van de daarvoor aangewezene ambtenaren vervaardigd is.

Dit laatste komt mij juist voor. De wet beschouwt toch het aldus vervaardigde niet als echt. Deed zij dit we-Ldan h;ul y-ij in :i;;t 210 no. 2 niet kunnen spieken van gelijk oogmerk, d. i. het oogmerk om het vervaardigde als echt te gebruiken of te doen gebruiken. Men kan iets tocli slechts als eclit gebruiken, voor echt doen doorgaan, wanneer liet niet echt is. Was er niet van valsche zegels sprake dan zou het" oogmerk om als echt te gebruiken zich oplossen in het oogmerk om te gebruiken 1).

liet belang der strafbaarstelling van het vervaardigen van geld niet wederrechtelijk gebruik van echte stempels is trouwens hetzelfde als dat van de strafbaarstelling van hot namaken van waardig geld met eenen vreemden stempel; bij beide handelingen ligt het ten eerste in het nadeel voor den Staat die verplicht zou zijn de nagemaakte stukken evenals de echte in te wisselen en altijd aanwezig verschil in nominale en reëele waarde ook van niet door hem uitgegevene stukken te dragen, van welk verschil hij bij de uitgifte geen voordeel had getrokken, ten andere in het nadeel voor hem die ook deze munt voor echt ontvangen heeft en ze niet weder kan uitgeven.

Dij muntpapier en zegels ligt het nadeel uit den aard der zaak nog meer aan de oppervlakte.

Strafbaar is dus hij die onbevoegdelijk munt maakt, al is die munt goed, maar ook hij die, al ligt de vervaardiging op zich zelve niet buiten de grenzen zijner bevoegdheid, munt van geringer dan het wettelijke gehalte vervaardigt.

1) 1'olenanr en Heemskerk, aanteekening 1 o|> art. 2](i, knoopen aan deze opmerking het gevolg vast dat een ander nogmerk bedoeld is, omdat naar hunne opvatting het zegel waarvan hier gesproken wordt echt is.

Sluiten