Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt bedoeld zoowel liet eerste in omloop brengen als het verdere uitgeven, al zoo elke uitgifte tenzij na ontvangst voor echt. Hierbij werd voorbijgezien dat deze uitlegging aan het artikel werd gegeven toen het nog niet gewijzigd was: de wijziging werd aangebracht toen de Minister van justitie na zijn schriftelijk antwoord op het kamerverslag eene nadere bespreking met de Oommissie van Rapporteurs gehouden had; maar wat van meer beteekenis is, de uitlegging is in strijd met do duidelijke woorden der wet; het vereischte van bekendheid met den namaak toen de uitgever ontving sluit het geval dat hij niet ontving eenvoudig uit.

Een tweede argument was dat volgens liet tweede lid van art. 5G ook het gebruik maken van voorwerpen ten opzichte waarvan het misdrijf van valsche munt is gepleegd een afzonderlijk misdrijf oplevert. Dat staat echter niet in art. 56; dit bepaalt alleen dat wanneer valsche munt en uitgifte samengaan slechts éene strafbepaling wordt toegepast; in hoeverre zij kunnen samengaan moet niet naar art. 50 maar naar art. 209 beoordeeld worden.

Bij den wetgever bestond daarenboven zeer zeker de bedoeling om art. 209 alleen toe te passen op den uitgever die aan de valschheid met schuldig- is. In de Memorie van toelichting wordt toch bij art. 220 gelezen dat dit artikel weder treft den gebruiker die aan de valschheid geene schuld heeft, en daarbij wordt blijkbaar ter verklaring van hot woord „weder" verwezen naar art. 56 en art. 209 en 211. Met art. 220 is dus hetzelfde bedoeld als met art. 209 en 211 l).

Volgens de Rechtbank te Rotterdam in haar aangehaald vonnis zou art. 56 tweede lid bij de door mij voorgestane uitlegging van art. 209 geenen zin hebben en nimmer van toepassing zijn, en het uitgeven door den dader zeiven van valsche munt dus straffeloos kunnen geschieden.

De redeneering is in twee opzichten onjuist. Ten eerste kan deze uitgifte altijd straffeloos geschieden; dat zegt art. 56 zelf in het voorschrift dat op valsche munt en het gebruik maken van het voorwerp ten opzichte waarvan dat misdrijf gepleegd is slechts éene strafbepaling mag worden toegepast. In de tweede plaats zou art. 56 toch toepasselijk blijven op het vervalschen «lat immers slechts op bestaande munt kan worden gepleegd; de voorwerpen waren dus in omloop en moeten door den vervalscher ontvangen zijn. Vervalsching van niet in omloop zijnde munt kan alleen geploegd worden aan de Rijksmunt of aan èene opslagplaats, maar dan wordt de uitgifte ook niet door

'•) Ik zeg: bedoeld, want de woorden van art. 220 dwingen voor dit artikel tot eene andere uitlegging.

Sluiten