Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft. Daarenboven werkt 'Ie wetgever in de hand dat de beleedigde man, die tegenover den medepleger langs wettelijken weg geene voldoening kan verkrijgen, ze zich op onwettige wijze door liet misdrijf van tweegevecht verschaft.

4. De strafbaarheid van den ongehuwden medepleger vond bedenking bij de Eerste Kamer, die begaan was met het lot van liet jonge meisje dat door eenen gehuwden man verleid is en het ongerijmd achtte de publieke vrouw strafbaar te stellen omdat de man met wien zij gemeenschap heeft gehad gehuwd was. De Minister van justitie verwierp deze bedenkingen omdat er geene reden bestaat in deze materie af te wijken van de gewone regelen omtrent deelneming aan misdrijf, en m. i. terecht: nu de wetenschap dat de medeschuldige gehuwd is voorwaarde is van strafbaarheid, staat overspel ten aanzien van den invloed van verleiding gelijk met elk ander misdrijf; en de publieke vrouw heeft geene enkele reden om zich niet te onthouden van gemeenschap met eenen gehuwde.

De bevoegdheid van het openbaar ministerie om in bijzondere gevallen de vervolging van eene medepleegster achterwege te laten levert daarenboven een correctief tegen mogelijke hardheid van de bepaling.

5. Op de klacht, waarvan de vervolging afhankelijk is, zijn de artikelen 64, 65 en 67 niet toepasselijk.

De echtgenoot die nog niet zestien jaar oud is heeft dus een persoonlijk klachtrecht, en de echtgenoot van eenen krankzinnige die buiten staat is zijnen wil te doen kennen kan straffeloos overspel plegen, terwijl de wettigheid van het uit overspel geborene kind slechts bij groote uitzondering zal kunnen worden ontkend wegens de korte termijnen voor de ontkenning gesteld; zie art. 311 en de beperking van art. 313 Burgerlijk wetboek.

6. De termijn van art. 67 is door het vierde lid van art. 241 aanmerkelijk uitgebreid. Het uiterste oogenblik van intrekking deiklacht is dat van den aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, d. i. wanneer de beklaagde verschenen is dat van afvraging van naam enz. aan den beklaagde door den president der rechtbank, art. 125 Wetboek van strafvordering. In verstekzaken vervalt dit afvragen en zal dus liet beslissende oogenblik zijn dat waarop met de voorlezing van het bevel van verwijzing wordt aangevangen zoo dat er is, art. 152 tweede lid, of zoo het er niet is dat waarop de officier van justitie de zaak voord raagt, art. 154.

NOYON, Het Welb. V. Strafr. II, 2e druk. 29

Sluiten