Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene tweede bedenking. De gemeentewet heeft voor gevallen als dit een contradictoir onderzoek voorgeschreven, door Gedeputeerde Staten in te stellen. De belanghebbende moet worden gehoord. Dat is niet geschied.

Nu zie ik wel in het vernietigend besluit des Konings, vervat in het Staatsblad van 1856, n°. 91, dat het Gouvernement aanneemt, dat de verbintenis uit het contract nog niet was afgeloopen, maar dit punt is niet contradictoir onderzocht. Daartoe bestond evenwel in dit geval meer dan eene drangreden. Wat is er gebeurd blijkens de stukken, aan de Kamer overgelegd? De adressant wordt benoemd tot lid van den raad een jaar voor dat zijn contract van aanneming was afgeloopen. Hij kan niet zijn aannemer en lid van den raad. Wat doet de adressant? Hij verzoekt aan den Raad, van het contract van aanneming te zijnen koste te worden ontslagen. Hij wil de schade dragen, die daarvan het gevolg kan zijn. Burgemeester en wethouders schijnen dat verzoek bij den Raad niet aanhangig te willen maken; eindelijk doet een lid het voorstel; de raad stemt; de stemmen staken; de raad stemt nogmaals en de stemmen staken weder: derhalve is het verzoek niet aangenomen; de man moet aannemer blijven, die zijn wil had te kennen gegeven om van de aanneming zonder eenige schade voor de gemeente en wellicht tot zijne eigene schade te worden ontslagen. Het jaar verstrijkt, de tijd nadert waarop zijn contract van aanneming zal afloopen. Het is de lste Augustus; acht dagen te voren verzoekt hij den burgemeester, vóór of op den lsten Augustus de opneming van het werk te willen doen; het bestond, meen ik, in het onderhoud van een schoollokaal en van de woning van den schoolmeester. De burgemeester doet de opneming evenwel op het juiste tijdstip niet, en komt met het procesverbaal van opneming eerst voor den dag op den 6den Augustus. De sedert een jaar benoemde is opgeroepen om op dienzelfden dag te worden geïnstalleerd; maar na de installatie vraagt de burgemeester, op grond van het proces-verbaal van opneming, gedagteekend van 6 Augustus, den dag der installatie, de schorsing.

Nu behoef ik niet te zeggen, dat het zeer mogelijk is, dat de defecten, geconstateerd op 6 Augustus, op den lsten niet aanwezig waren. Er kan sedert dien tijd eene ruit gebroken of er kunnen eenige latten verschoven zijn. Voor zulke gebreken zou de aannemer niet aansprakelijk zijn. Indien er werkelijk verzuim van opneming plaats heeft gehad en de aannemer tot niets meer was gehouden, dan ware het besluit van den raad om niet te schorsen terecht, en het besluit van den Koning om de weigering te schorsen, ten onrechte genomen. Zóó noodzakelijk was het vooraf een contradictoir onderzoek te doen plaats hebben.

Ik meen dus, Mijnheer de Voorzitter, dat daarop, dat de Gedeputeerde Staten dat onderzoek deden, door de Regeering, desnoods

Sluiten