Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik beweer is, dat men in deze zaak ontijdig met eene cassatie, en wel met eene cassatie zonder effect, tusschen beide is gekomen. Het geachte lid vraagt: „is er geen effect geweest? heeft het besluit geen gevolg gehad?" Ik denk, zegt hij, dat de adressant in den raad na het besluit tot vernietiging niet zal hebben medegestemd. Mijnheer de Voorzitter, wij hebben de verklaring van het Gouvernement in de Inlichtingen, dat de adressant in de uitoefening zijner functie als raadslid op geenerlei wijze is belemmerd. Dus te dien aanzien heeft het besluit geen gevolg gehad. Het gevolg kon zijn, zegt het geachte lid, dat de raad een ander besluit nam. De raad kon zijn besluit ook zonder de Koninklijke vernietiging veranderen, doch hij was door die vernietiging tot verandering niet genoodzaakt. Gesteld de raad hadde een ander besluit genomen, dit ware niet het gevolg van het besluit tot vernietiging, maar van den vrijen wil van den gemeenteraad geweest.

Eindelijk wat de verbintenis betreft. De opneming moest plaats hebben gehad op den Isten Augustus; op den laatsten der vorige maand was het contract verstreken. De opneming is evenwel eerst den tiden Augustus geschied. Derhalve kon door den aannemer zijn beweerd dat er verzuim heeft plaats gehad, dat er nu defecten waren, die er niet zouden geweest zijn, zoo het werk op den behoorlijken tijd ware opgenomen.

De aannemer, zegt het geachte lid, heeft nog eenige dagen later doen werken. Maar liep dat werk niet wellicht over eenige kleinigheden, die de aannemer, schoon wellicht ongehouden, nog liet maken, omdat hij geen proces noch langer uitstel verkoos, en van de verdrietige zaak ai wilde zijn? Zulk een geval doet zich dikwijls voor.

Ik blijf dus nieenen, dat er meer dan eene aanleiding bestond tot dat contradictoir onderzoek door Gedeputeerde Staten, hetgeen art. 26 verlangt; en — zoolang ik niet beter worde ingelicht — dat het Gouvernement, bevoegd om een besluit tot vernietiging te nemen, zich daarvan in allen geval had moeten onthouden, totdat het onderzoek had plaats gevonden.

19 November. Staatsbegrooting vook het dienstjaar 1858. Beraadslaging over Hoofdstuk IV (justitie). Algerueene beraadslaging over de vijfde afdeeiing (kosten van algeiueeno of rijkspolitie).

Organisatie der rijkspolitie.

Artikelen 136 en 19 der jachtwet.

In het algemeen sluit ik mij aan bij de gevoelens, door de vorige sprekers geopenbaard. Ik kan vooralsnog geene gelden inwilligen voor iets, dat ons als geregeld wordt voorgesteld, doch dat, zoo mij voorkomt, niet geregeld is, en dat, voor zoover ik het inzicht van

Sluiten