Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strekt ook de motie niet om de belangstelling des Ministers voor eene zoo groote nationale aangelegenheid aan te vuren; maar geldt het hier veeleer de wijze waarop die belangstelling zal werken. Te dien opzichte bestaat, zooals blijkt uit de voorstellen der Kegeering, groot verschil tusschen haar begrip en dat der Kamer. Het begrip der Kamer wordt duidelijk in de motie verklaard. Men wenscht, dat de Regeering goedvinde om ten aanzien van de aanvragen, die reeds en ten deele sinds lang zijn ingediend, spoedig eene beschikking te nemen, afwijzend of toestemmend, zonder of onder voorwaarden, zooals de Regeering geraden zal vinden; dat zij spoedig handele en zich niet langer door het denkbeeld van een net late weerhouden om te laten geschieden wat geschieden kan en nu geschieden kan. liet voorstellen van een net om hier te lande op eens meer spoorwegen voor te bereiden, dan landen bezitten die ons sedert vele jaren voor zijn, schijnt ontijdig. Wij dienen stuk voor stuk te doen wat gedaan kan worden; wij maken daarom dien wensch kenbaar, om van de Regeering wets-ontwerpen betrekkelijk tot eene of andere bepaalde uitvoerbare lijn te ontvangen, ingeval daarvoor een subsidie mocht worden aangevraagd en de Regeering mocht oordeelen, dat zonder het toestaan van een subsidie aan de uitvoering niet te denken valt. Ik beschouw dus deze motie uit een ander gezichtspunt dan de Minister. Ik beschouw haar als eene bevordering en bespoediging van de groote aangelegenheid, in zooverre namelijk de Kamer door eene verklaring daartoe kan medewerken. De Minister heeft meer dan eens kunnen hooren, dat vele leden der Kamer van eene discussie over de ontwerpen, welke de Regeering ons heeft voorgelegd, niets hoegenaamd verwachten. Maar van eene handelwijze, zooals gewenscht wordt in de motie, zijn vruchten te wachten, en daarom denk ik mij, behoudens de wijziging, die ik in overweging heb gegeven, met die motie te vereeenigen.

25 November. Hoofdstuk VI der staatsbegrooting (departement voor de zaken van den hervormden eeredienst). Algemeene beraadslaging.

Kerk en staat. De minister had in eene uitvoerige, geenszins in alle opzichten heldere, rede zijne opvattingen uiteengezet. Men moest, meende hij, het bestaan van het ministerie van hervormden eeredienst, ook al was men op zich zelf daartegen, thans nog maar dulden, zoolang de organisatie van het hervormd kerkgenootschap niet voltooid was. Intusschen, het was, zei hij, voor hem en voor de geheele regeering, „een onbetwistbaar punt, dat in onze staatsinrichting de ministeriën van eeredienst niet (konden) worden gemist." Ja, de scheiding van kerk en staat was in ons vaderland wel tot stand gebracht, doch wat was daaronder te verstaan ? Volgens den minister niet anders, dan dat kerk en staat zich in eigen werkkring vrij en onafhankelijk bewegen. De scheiding was overigens hier te lande eene geheel

Sluiten