Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik meen met andere leden, dat de Minister even ver zal zijn wanneer wij een of ander amendement aannemen, als wanneer wij alle amendementen verwerpen. Bij gelegenheid eener discussie over art. 1 van het ontwerp vraagt de Minister: „Wil dan deze Vergadering niet medewerken om de groote gemeenten te ontheffen9 Wil deze Kamer niet medewerken om de middenklasse in eene dragelijker reden te beteken, dan volgens de tegenwoordige wet op het personeel plaats vindt? \ragen, Mijnheer de Voorzitter, waarop, zoo noodig kan worden geantwoord bij eene algemeene discussie; eene discussie' die al de voorstellen, van wege de Regeering gedaan, omvat: doch' waarop niet meer kan worden geantwoord bij de behandeling van art. van dit ontwerp. Nu echter die vragen gedaan worden, zij het mij vergund met een enkel woord mijne meening daarover te zeggen.

Ik geloof dat geen lid dezer Vergadering, en vooral niet de Vergadering in haar geheel, achterstaat bij den Minister of bij eenigen Minister m de behartiging van het algemeen belang of in de behartiging der belangen van gemeenten, wier toestand het nemen van maatregelen bij de wet mocht eischen. De vragen, door den Minister gedaan, beantwoorden zich zelve. Maar wanneer de vraag is, op welke wijze, en wanneer men ten aanzien van het gansche plan van hervorming verschilt met den Minister, wat dan? Zal het dan baten een der voorgestelde amendementen aan te nemen?

Indien men met mij oordeelt, dat, om sommige gemeenten, zoo cat noodig is, te helpen, een veel eenvoudiger weg bestaat, maar waarbij het gansche plan, dat de Regeering heeft voorgesteld, wordt ter zijde geschoven, hoe kan dan uit de stemming over een der amendementen blijken wat men in dit opzicht zou verlangen? Hetgeen de Minister begeert zou wellicht het gevolg kunnen wezen van eene handelwijze, die men voorjaren in deze Kamer heeft betracht alvorens de wetboeken in beraadslaging te brengen. Toen heeft men ten aanzien van het geheele systeem hoofdvragen gesteld en daarover de Vergadering geraadpleegd. Indien de Minister wenscht dat de meening van de \ ergadenng worde verstaan over de hoofpunten eener financieele hervorming, dan zal een dergelijke weg moeten worden gekozen maar thans, in eene discussie die loopt over art. 1, is het onmogelijk te voldoen aan hetgeen de Minister verlangt.

De heer van Deinse, die eerst een amendement had voorgesteld, wilde thans b,, motie van orde eene beslissing der kamer over den grondslag: haardsteden uitlokken. b h

Ik heb tegen de motie meer dan ééne bedenking Zóó voorgedragen, sluit ze in dat de Kamer afstand doet van haar recht van amendement. Hetzelfde toch, dat de motie verlangt, kan op veel werkzamer wijze door de uitoefening van het recht van amendement worden verkregen.

Sluiten