Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens den geachten spreker stant de zaak, waarom het hier te doen is, gelijk met alle gevallen, waarin eenige belasting op de voortbrenging drukt. Maar hebben wij hier niet een speciaal geval? Het geldt hier eene belasting, drukkende op iets dat een bestanddeel is van het gezouten vleesch. „Belasting", zegt de geachte spreker, „drukt de voortbrenging altoos; doch wij heffen immers in andere gevallen niet een hooger recht van het buitenlandsch produkt, omdat onze voortbrenging aan hooger lasten, dan de voortbrenging in den vreemde, onderworpen is." Ik erken dat; maar is er niet onderscheid tusschen belast zijn in het algemeen en zoodanige bijzondere belasting, welke de waar zelve of hetgeen daarvan een deel uitmaakt, treft?

Repliek van ilen heer Reinders.

Ik wensch mijn twijfel met een voorbeeld op te helderen. De accijns op de steenkolen bezwaart bij ons menigerlei productie. Moet dit nu ten gevolge hebben, dat wij een invoerrecht gaan heffen op zoo vele vreemde artikelen, bij wier vervaardiging steenkolen eene noodzakelijke hulpstof zijn? Ik geloof het niet. En in zoover ben ik van het gevoelen van den geachten voorsteller. Maar wij zijn hier in het geval, dat een accijns de binnenlandsche voortbrenging eener bepaalde waar treft. En die twee verschillende gevallen worden, zoo ik mij niet bedrieg, in het betoog van den geachten voorsteller verward.

Amendement van den heer Poortman, strekkende tot vermindering van de invoerrechten op koot-, raap-, lijn-, krok-, deder- en hennepzaad. Nu de oliefabrikanten door opheffing van liet recht op olie werden benadeeld , meende de heer Poortman, behoorde aan den anderen kant iets voor hen te worden gedaan.

Ik ben een sterk voorstander van het beginsel, waarop dit amendement berust. Onkundig dat een amendement zou worden voorgesteld, dacht ik het woord te vragen aanstonds, wanneer de letter Z aan de orde ware gebracht, om te kennen te geven, dat ik een amendement tot vrijstelling der oliezaden in bedenking wenschte te geven. Niet, Mijnheer de Voorzitter, om de reden, zoo sterk door den vorigen spreker aangedrongen; niet omdat bescherming aan de fabrikanten zou ontnomen zijn, waarvoor hun eenige vergoeding zou toekomen; maar omdat oliezaad eene grondstof is en dus de regel, ten aanzien van de grondstoffen aangenomen, ook hier moet gelden. Gisteren voor het voorstel der Iiegeering tegen het amendement van het geachte lid uit Alkmaar (den heer van Foreest) stemmende, meende ik niet, nadeel aan de fabrieken toe te brengen; al komt hier dus, mijns inziens, geene vergoeding te pas, wil ik hun gaarne het ware voordeel, dat in onthefling der grondstof ligt, helpen verschaffen. Het schijnt mij een eenvoudige eisch van rechtvaardigheid.

Ik was evenwel huiverig om op het bureau van onzen President

Sluiten