Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die van zelf het gevolg is van dergelijken toestand, als waarin on-; werelddeel tegenwoordig verkeert, zoo inin mogelijk in den boezem onzer maatschappij overbrengen; geene stoornis van het dagelijksch leven zonder wezenlijken grond; dat onze burgerij, zoolang het kan, in rust gelaten, en ook van Gouvernementsvvege zoolang mogelijk in werken van vrede volhard worde, schijnt mij thans een eerste plicht.

En dan, respice jinem. Wanneer wij op dit oogenblik, nu onze veiligheid, ons grondgebied, onze belangen, hoegenaamd niet worden bedreigd, — ieder moet het erkennen — zulke maatregelen nemen, hoe komen wij daar weder af? Wij zullen twee lichtingen voor drie maanden, en de derde ook nog van 1 October tot den laatsten December onder de wapenen houden. Op dit oogenblik wordt in Italië oorlog gevoerd, over belangen, die gewis Nederland niet raken; zoo die binnen Italië en met hetzelfde doel, als tot dusver, nog een halfjaar of zelfs het aanstaande jaar voortduurt, welke reden zal er dan zijn om hetgeen wij begonnen, op dezelfde gronden, waarop wij begonnen, niet voort te zetten?

Ik mag niet eindigen, Mijnheer de President, zonder mijn groot leedwezen te kennen te geven, dat de Regeering tot dusverre niet kon besluiten om zich te houden aan hetgeen haar met aandrang van deze zijde in bedenking is gegeven. Breid den druk van den oorlogstoestand, die de vermogenden het eerst en van zelf treft, niet zonder noodzaak over een groot deel der burgerij uit. Geenerlei belang van het land zal lijden, indien men, alvorens een buitengewonen maatregel , een maatregel van wapening, te nemen, meer stellige teekenen afwacht; integendeel kan, geloof ik, het moedig bewaren van een toestand van vrede voor wezenlijke krachtsontwikkeling, van de Regeering zoowel als van de Natie, niet anders dan voordeelig zijn.

11 Juli. Regeling van werkzaamheden. De voorzitter wilde, naafhandeling van verschillende aan de orde gestelde spoedeischende wetsontwerpen, de beraadslaging over het ontwerp omtrent het gebruik der spoorwegen beginnen.

Mij nheer de Voorzitter, het ontwerp tot regeling van de politie omtrent de spoorwegen is van groot gewicht en in aanraking met zeer onderscheidene belangen. Het zijn niet alleen de algeineene beginselen van het ontwerp, die velerlei discussie kunnen uitlokken, maar ook artikelen, schijnbaar van gering belang, kunnen tot zeer uiteenloopende beschouwingen aanleiding geven. Ik onderstel dat de discussie althans acht dagen kan vorderen, en ik voeg erbij, dat het onderwerp eene discussie van zoo langen duur alleszins waardig is. Wij zijn thans, meen ik, bijeengeroepen om te doen hetgeen dringend is, hetgeen haast heeft, maar een onderwerp zoo moeilijk als dit, en waarbij het niet op eenige maanden aankomt, moeten wij, dunkt mij, niet thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1858—1859. 10

Sluiten