Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de Memorie van Beantwoording voorkomt, opgeeft, is het verlangen der Ilegeering om processen voor te komen.

Ik ben geen vriend van het voeren van processen van staatswege, maar men gaat, dunkt mij, te ver, wanneer men het zeer stellig belang van den Staat uit vrees voor een proces prijs geeft. Zeer onlangs en meermalen is die vrees op den voorgrond geplaatst, maar nooit met minder reden dan nu. De bepalingen der concessie zijn zeer formeel. Welke chicanes men ook moge opperen, en hij op wien men poenaliteiten wil toepassen zal wel altijd dreigen met een proces, de Staat zal op het tijdstip waarop het nog nauwelijks begonnen kanaal door Zuidbeveland zal moeten worden voortgezet, volkomen vrij en bij machte zijn om dat werk te vervolgen. In allen gevalle ware het onrechtvaardig en strijdig met het algemeen belang, dat aan hen, die een publiek werk hebben aanvaard, waaraan een zeer aanzienlijk bijzonder voordeel voor hen was verbonden, en die gedurende den geheelen loop der onderneming dat werk hebben verzaakt om uitsluitend dat voordeel na te jagen, nu nog eene belooning zou worden toegekend.

Repliek van den minister van binnenlandsche zaken.

Nog een woord, daar de Minister mij niet juist heeft verstaan. Mijn betoog was niet ontleend aan de groote voordeelen, den concessionarissen bij de concessie toegekend. Ik heb de tegemoetkoming herinnerd, door hen reeds in 1852 ondervonden; ik heb aangedrongen, dat zij evenwel aan het publiek werk, waarvoor hun de concessie verleend was, nauwlijks de hand gelegd hebben. Waren de concessionarissen ijverig in het aanvangen en voortzetten van dat werk, maar niet gelukkig geweest in liet behalen van het loon, in de indijking, ik zou zeggen: de billijkheid kan eene nieuwe tegemoetkoming vorderen. Maar zij hebben zich — en de voormalige commissaris des Konings in Zeeland kan dat beter dan iemand weten — doorgaans overgegeven aan de meest wilde speculatie tot op vruchten, die een nog niet drooge of ingedijkte grond zou moeten voortbrengen. Maar om het publiek werk te voltooien, uit hoofde waarvan de concessie was verleend, daartoe bestond in geenen deele ernstige wil. Dat werk stelden zij ter zijde, om op de meest onhandige, roekelooze wijze winst te bejagen. Dat zij voordeel trokken van de onderneming, was billijk; en om dat te verzekeren, is een vorig Gouvernement hun nog op andere wijze, dan die ik zooeven herinnerde, te hulp gekomen. Na vruchtelooze pogingen tot indijking, verzochten de ondernemers, die het toen ernstig schenen te meenen, eenige jaren geleden aan den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken de toevoeging van een bekwaam ingenieur, in dergelijke werken hier te lande ervaren. De Minister voldeed ook aan dat verzoek en gaf hun een onzer bekwaamste ingenieurs. Maar die man heeft weldra zijn ontslag moeten vragen; hij kon het bij eene onderneming niet uithouden, die alle

Sluiten