Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste dienst is een deel van het belastingstelsel, maar de tweede daarmede eveneens in regelmatigen samenhang? Op welken grond rust die, of is die wellicht ter sluik ingeschoven?

Ten andere: ik zou wenschen, dat de Minister zich genegen betoonde om ons eene statistiek van den vrijen arbeid op Java mede te deelen. Vooral na hetgeen ik gisteren hoorde, is het onderscheid tusschen vrijen en gedwongen arbeid op Java mij duister geworden. Nu men gaat zeggen: vrije arbeid is eene mystificatie, terwijl ik sinds jaren de Regeering in hare rapporten roem op de ontwikkeling van vrijen arbeid zag dragen: terwijl het Regeeringsreglement bevordering van vrijen arbeid gebiedt, en de Minister thans het woord vrijen arbeid nauwelijks anders dan met bijvoeging van zoogenaamden bezigt, nu wensch ik dat de Minister ons, zoodra hij daartoe in staat zal zijn, eene statistiek doe overleggen van hetgeen hij, van hetgeen het Gouvernement meent vrijen arbeid te kunnen noemen, en m welke takken van nijverheid, in welke mate, in welke deelen van Java die arbeid gevonden wordt.

28 November. Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1860.

Algemeene beraadslaging over Hoofdstuk m (Buitenlandsche zaken).

Belgische aftappingen op .le Maas. I)e Ivoren de Bieberstein en Meylink hadden het vertrouwen uitgesproken, dat de minister eindelijk in deze aangelegenheid eene bevredigende regeling zou weten te treffen.

De dag van de Begrooting is niet alleen de dag der wenschen zoo als wij er reeds vele hoorden — maar ook de dag der jneren.

Ten aanzien van het punt, waarover de beide eerste sprekers (de heeren de Bieberstein en Meylink) niet enkel hunnen wensch, maar hun vertrouwen te kennen hebben gegeven, ben ik in eene eenigszins andere stemming. Ik ben nog niet in hunne stemming van vertrouwen. Te minder daar ik op andere punten in het beleid van buitenlandsche zaken gedurende dit jaar die zelfstandigheid, die kracht, die ik wel zou hebben verlangd, meen te missen. Ik heb die zelfstandigheid — laat ik zeggen dien politieleen moed, die wellicht zeldzamer is dan militaire moed, maar niet minder noodig, ik heb dien gemist bij

meer dan ééne gelegenheid. .

Vooreerst in dezen zomer in de maanden Mei en Juni. Ik herinner de wijze waarop de Minister van Buitenlandsche Zaken hier de noodzakelijkheid voorsprak om ons te wapenen; hij scheen mij toen onder den indruk van eene vrees, van eene overdrevene angstvalligheid, verklaard door den grond, dien hij aanvoerde: „wij moesten doen hetgeen andere natiën rondom ons deden." Mijns inziens moesten wij vragen, of een Nederlandsch belang wapening gebood; en daar dit hoegenaamd niet bij den oorlog betrokken was, zou het een blijk van zelfstandigheid geweest zijn. ons niet te wapenen.

Sluiten