Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na de ondervinding van dezen zomer, dubbel bedenkelijk. Ik ben verplicht daarover nog een enkel woord te zeggen, omdat de geachte spreker uit Hoorn zich tot taak heeft gesteld mij zoo uitdrukkelijk, als hij dat verleden Zaterdag deed, tegen te spreken. Ik meen mijne stelling, dezelfde die ik in den zomer van dit jaar hier aangedrongen heb, te moeten handhaven Het was mij niet, noch is het mij te doen om ons te onttrekken aan verbintenissen, die bij traktaten zijn aangegaan. Maar er is eene ontijdige en voorbarige wijze om dergelijke verbintenis te kwijten; ontijdig en voorbarig dan vooral wanneer wij zien dat van onze praestatie toch geen partij kan worden getrokken door degenen met wie wij hebben gecontraheerd. Het is eene natuurlijke voorwaarde van zoodanige praestatie, dat zij tot het doel, waartoe het verdrag gesloten werd, werkelijk diene; anders is het een onverstandig, onredelijk offer, dat wij aan vorm en letter brengen. Wij moeten niet vooruitloopen, nu vooral niet, nu de machteloosheid van den Bond als militaire mogendheid gebleken is. Wij moeten niet, zooals de geachte spreker uit Hoorn mij toedicht, een ongeschikt tijdstip kiezen om ons los te maken, maar wij moeten in vrede niet meer doen dan waartoe wij kunnen geacht worden verplicht te zijn. Wij kunnen ons beroepen op de Kriegsverfassung van 1821, waarin zeer uitdrukkelijk gezegd wordt, dat bij de organisatie op de bijzondere omstandigheden van de Bondsstaten zal kunnen worden gelet. Terughouding is dus raadzaam en in het algemeen belang plicht: geen nuttelooze verspilling van krachten alleen om een vertoon te maken van gereed te wezen tot eene dienstpraestatie, die niemand eischen kan en in allen geval niemand voorbereid is te gebruiken.

Hetgeen ik herinnerde omtrent het gevaar dat wij verleden zomer hebben geloopen, zag niet hoofdzakelijk op dat Limburgsche contingent, maar op de algemeene houding die wij toen aangenomen bebben, op de wapening waardoor wij in een toestand werden gebracht, dat wij, niet meer meester van onze bewegingen, indien de vrede niet gesloten ware, aan den oorlog tegen eene mogendheid zouden hebben moeten deel nemen, tegen wie het strijdvoeren een strijd tegen ons belang zou zijn geweest.

13 December. Hoofdstuk xr der staatsbegrooting (Departement van koloniën). Algeineeno beraadslaging.

Mijnheer de President, ik wil den Minister gelegenheid geven om zich te verklaren, zoo hij dat goedvindt, over den indruk dien de discussien over het zoogenaamd batig slot, hier onlangs gevoerd, te weeg hebben gebracht. Moet ik dien indruk schetsen, dan zon ik zeggen: het is die van de ebbe, volgende op den vloed, die van de beweging, waarbij men, na één pas vooruit te hebben gedaan, er

Sluiten