Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet wil. Doch nu vergunne de Minister, nu hij mijne getuigenis heeft ingeroepen, dat ik die alinea beschouwe tegenover een Gouvernement, hetgeen tusschenkomst der wetgevende macht, waar die noodig of nuttig zijn kan, wil; van een Gouvernement, niet onder den indruk van die vreesachtige stemming, waaruit het ontwerp van de laatste alinea van artikel 59 is voortgevloeid.

De alinea zegt, dat andere onderwerpen zullen worden geregeld bij de wet, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan. Ik vraag, of iemand, vreemd aan die vreesachtige stemming, enkel den tekst van het artikel lezende, tot een anderen uitleg zal komen dan deze: artikel 59 der Grondwet, voorschriften gevende aan den rijks wetgever, verplicht dien, om het regeeringsreglement, het muntwezen, het beheer en de verantwoording van de koloniale geldmiddelen aanstonds te regelen; doch maakt, ten aanzien van andere onderwerpen, de uitvoering van dien plicht afhankelijk van het tijdstip, waarop de behoefte zal blijken. Ik ben genegen te gelooven, dat hij die vreemd bleef aan onze traditioneele vooroordeelen, aldus zou uitleggen, en deze uitleg zou wellicht ook die zijn van een Gouvernement, dat in den zin mijner rede van het jaar 1850, de wet niet vreesde.

17 Oetober. In het tweede gedeelte der conclusie werd gezegd „dat in de door den minister van koloniën overgelegde stukken geen gronden gevonden werden, die de overeenkomst van 14 Mei 1800 konden aanraden, en dat mitsdien de belangen van den staat door het sluiten daarvan waren uit het oog verloren."

De overeenkomst van 14 Mei 1860 was gesloten met den heer van Vloten, en bevatte de bepalingen eener dading ter zake van procedures over de onderneming Dangka. Toen twijfel rees, of de regeering met het sluiten van die overeenkomst wel goed had gedaan. was aan haar nadere inlichting en overlegging van stukken verzocht.

De minister van koloniën had de discussiën geopend met eene omstandige uiteenzetting van de getroffen overeenkomst en van de redenen die de regeering tot het sluiten der overeenkomst hadden gebracht. Onder meer had de minister zich daarbij beroepen op eene beschikking van zijn ambtsvoorganger, van 7 November 1856, waarbjj aan den heer Gallois, die als rechtverkrüger van den heer van Vloten zoude optreden, was te kennen gegeven, „dat na afloop van het onderzoek dat op Java plaats vindt ten aanzien van de aangelegenheden der suikercultuur, door de regeering met hem wegens de genoemde onderneming (Pangka) zou worden gecontracteerd". Of en hoeverre die beschikking van een ambtsvoorganger voor hem nog bindend was, verklaarde de minister zelf voor twijfelachtig. Doch ging het aan, eene regeeringstoezegging ter zijde te leggen, omdat er toevallig een ander minister was opgetreden? Daarenboven, wie kon uitmaken, of niet uit de beschikking rechtmatige en billijke aanspraken waren geboren ? Ten einde alle risico's van procedures en schadeloosstellingen te vermijden, was — verklaarde de minister — ten slotte de dading, die voor den staat allerminst schadelijk mocht worden genoemd, aangegaan. thorbec'Ke . Parlementaire redevoeringen, 1860 —1861. 19

Sluiten