Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vorige spreker heeft ten aanzien van de voorgestelde conclusie menige vragen gedaan, alle nederkomende op ééne: zijn wij bevoegd dergelijk oordeel, als door de Commissie wordt voorgesteld, over de handeling van een Minister uit te spreken ? Ik zeg: dergelijk oordeel; hetgeen, na gepleegd onderzoek, goedkeurend kon zijn, zooals hetgeen de Commissie aan de Kamer voorstelt, afkeurend is. Het een leidt tot het ander. Kan een goedkeurend oordeel door de Kamer worden uitgebracht, dan kan zij ook afkeuren.

De vorige spreker zegt: „geen oordeel; waar staat de bevoegdheid daartoe in de Grondwet geschreven?" Ik dacht, Mijnheer de Voorzitter, en ik denk nog, zij wordt gelezen in het eenvoudige voorschrift, dat de Ministers verantwoordelijk zijn, verantwoordelijk voor de strafwet niet enkel, maar ook aan de vertegenwoordiging: eene verantwoordelijkheid, zoo de Kamer geen oordeel mag vellen, zonder zin en beteekenis.

Ik meen, dat ik over dit punt mag spreken met volkomene gerustheid en zoo men mij dat woord vergunt, met eenig zelfgevoel; want zoo er ooit iemand geweest is die de waardigheid en zelfstandigheid van den Minister heeft doen eerbiedigen en die in anderen geëerbiedigd heeft, dan, geloof ik, mag ik dit van mij zeggen. Maar bij allen eerbied voor die zelfstandigheid, die ik niet alleen eerbiedig maar als een eerst vereischte in den Minister vorder, mag ik ook niet één van de rechten der Vertegenwoordiging laten verloren gaan ; en hier geldt het een harer eerste rechten.

Indien dat recht nog eenig betoog behoefde, men zou dat, dunkt mij, vinden in de rede van den geachten spreker zeiven. Hij betwist aan de leden der Kamer niet de bevoegdheid om individueel een oordeel uit te spreken. Hetgeen aan al de leden individueel vergund is, zou dat niet vergund zijn aan de Kamer als lichaam of college ? Mij dunkt, men tast de ministerieele verantwoordelijkheid in een harer voornaamste gevolgen aan, wanneer men dat ontkent.

Over de zaak in beraadslaging heb ik sommige vragen aan den Minister te doen, die de Minister mij en willicht ook de Vergadering verplichten zal te willen beantwoorden.

1. De eerste vragen betreffen de beschikking van 17 November 1856.

In die beschikking staat, zooals de Minister ons in zijne gedrukte rede van eergisteren bericht, „dat na den atioop van het onderzoek, dat op Java plaats vindt ten aanzien van de aangelegenheden der suikercultuur, door de Regeering met de verzoekers wegens de genoemde onderneming (Pangka) zal worden gecontracteerd." Ik begrijp dien tekst niet: wellicht kan de Minister dien ophelderen. Wat toch had het onderzoek over de suikercultuur op Java ten doel? Eene regeling; eene regeling van wien dan ook. Hoe kon nu in de beschikking worden te kennen gegeven, dat, nu den afloop van het onderzoek,

Sluiten