Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het eerst in de kamer verschenen en door den formateur van het kabinet in eene welsprekende rede aangediend.

Met verlangen — zoo begon hij — had het kabinet de gelegenheid tegemoet gezien, om aan de kamer eenige mededeelingen te doen omtrent zyn geest en zijne beginselen .... Intusschen was, ook na 's ministers rede, de richting, die het kabinet bewandelen zou, nog in een nevelaehtigen sluier gehuld gebleven. De minister had het zwaard getrokken tegen allen, zonder juist aan te geven wat in zijn vaandel geschreven stond.

Over het algemeen — had hij verklaard — had zich in ons staatsbestuur der latere jaren eene zekere onmacht geopenbaard, om tot stand te brengen wat tot voltooiing van het gebouw, in 1848 en volgende jaren opgericht, werd vereischt. Eene onmacht, waarvan de minister de oorzaak zocht in het groot verschil van gevoelen over de wijze, waarop de bepalingen der grondwet moesten worden opgevat. Sommigen, in hun hart bevreesd voor den constitutioneelen regeeringsvorm. wilden de grondwettige rechten en vrijheden der natie binnen zoo eng mogelijken kring beperkt zien; anderen hadden zich bij den wassenden stroom aangesloten, doch misten de bezieling, die tot wezenlijke kracht noodzakelijk was. Ten slotte waren er, die de grondwet lief hadden bovenal, en haar ongerepte handhaving beschouwden als eenige voorwaarde, om de natie op den duur gelukkig en voorspoedig te maken.

Aanvankelijk, vervolgde dan de minister, was het constitutioneel gebouw toevertrouwd geweest aan hen, die tot den bouw het meest hadden bijgedragen. Daarop was een tijdperk ingetreden, waarin eene tegenovergestelde richting beloofd, doch niet altijd gevolgd was. De steeds toenemende verwijdering tusschen regeering en volksvertegenwoordiging, welke daarvan het gevolg was geworden, had een voor den voorspoed van het land hoogst nadeeligen toestand doen ontstaan. Langs den meest geleidelijken weg was wel gepoogd, daaruit te geraken; men had keer op keer getracht de verschillende partijen in het land in een kabinet te zamen te brengen en te verzoenen; doch het was niet gelukt. Samenwerking had ontbroken; men was gestuit op onderlingen naijver en tegenwerking.

Thans trad wederom een homogeen kabinet der kamer tegemoet. Vroeg men, in welken geest het nieuwe kabinet was samengesteld, dan meende de minister naar de politieke richting te mogen verwijzen van de drie mannen, die uit de vorige regeering waren overgenomen. Een programma wilde het kabinet niet geven; reeds zoovele malen was de doelloosheid van dergelijke dorre opsomming van wetten, die men zich voorstelde in te dienen, gebleken. Genoeg ware de verklaring, dat het kabinet zijne krachten zou besteden aan die ontwerpen, welke in de grondwet geworteld waren; daarenboven zou het kabinet den liberalen geest onzer grondwettige instellingen uitstrekken tot eenige onderwerpen die daarvan tot dusverre verstoken bleven.

Eene breedvoerige uiteenzetting van het koloniaal program der regeering volgde. Op het gebied der koloniale politiek hadden in de laatste jaren de grootste moeilijkheden gelegen. Geen wonder dus, dat de regeering verlangde, zich bovenal hieromtrent nader te verklaren. Die verklaring werd ingeleid met de mededeeling, dat de groote meerderheid der kamer en der natie in koloniale aangelegenheden behoudend gezind was.

Sluiten