Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer ik van de Ministerien der laatste jaren spreek, dan wensch ik goed, in mijn zin, verstaan te worden. Ik spreek niet van de individus, maar van de Kabinetten in hun geheel, zooals zij zich aan ons hebben voorgedaan, en zooals zij, meen ik, ook door het programma worden beoordeeld. Zonder eenige aanmatiging, maar volgens de historische waarheid meen ik te kunnen beweren, dat die Ministerien doorgaans het werk van de liberalen overgenomen, en soms gebrekkig voortgezet hebben, niet zeldzaam — eene treurige, doch niet overbodige herinnering — onder insinuatie en verdachtmaking tegen de personen. Mag men aan een groot verschil over de opvatting en toepassing der Grondwet, mag men aan partijen wijten, hetgeen, mij komt het zoo voor, veeleer te wijten is aan de Ministerien ?

Inderdaad, Mijnheer de President, er is nog iets anders hetgeen een Ministerie om zedelijke macht te zijn behoeft, dan medewerking der Vertegenwoordiging bij het maken van wetten. Dat is de autoriteit van het karakter, de autoriteit van een vast, helder regeeringskarakter. Was het niet dit, hetgeen méér, dan iets anders aan die Ministerien ontbrak?

II. Hoe dat zij, het programma beoordeelt de Ministerien deilaatste jaren naar hetgeen door hen uitgericht of liever niet uitgericht is op het gebied van de binnenlandsche politiek. De vraag is dus natuurlijk: welk uitzicht wordt ons op dat gebied door het nieuwe Ministerie geopend ?

Al wat ons het programma daarvan zegt, is: „wij zijn een liberaal Ministerie". Niets meer.

Is het woord „liberaal" genoegzaam om een Gouvernement te karakteriseeren ? Ik zou onderscheid maken. Wanneer anderen die eigenschap aan een beproefd Gouvernement toekennen, ja. Doch is het de getuigenis, die een pas optredend Gouvernement aan zich zelf geeft, dan zou ik de vraag wagen, of niet nog iets meer wordt vereischt ?

Ook roept het programma nog iets anders in. Het programma doet een beroep op persoonlijke antecedenten. Ieder heeft dus volkomen recht, om die persoonlijke antecedenten in discussie te brengen. Niemand zal evenwel zoodanige inquisitie wachten van mij: ik heb mij daarvan steeds onthouden; zij is mijne taak niet. Eéne opmerking slechts. Dat beroep op persoonlijke antecedenten, al waren die onderling homogeen, zou, dunkt mij, meer waarde hebben zonder de demoralisatie, die wij sedert eene reeks van jaren hebben aanschouwd.

Wat mij betreft, Mijnheer de Voorzitter, ik houde mij aan het schoone woord: „wij zijn een liberaal Ministerie." Het is de talisman, waarvan dit Kabinet zich bedient; een talisman, dien ik oneindig verre boven zoo menig anderen stel, dien wij in de laatste

Sluiten