Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen onderwerpen. Zijn wij, de Minister van Buitenlandsche Zaken en ik, daar waar het vragen van inlandsche, Indische koloniale hnishonding geldt, bevoegd aan iemand, als de geachte afgevaardigde uit Almelo, die zijn leven gedurende een vierde van eene eeuw aan het onderzoek en aan het doordenken van de Indische maatschappij gewijd heeft, zijn wij, vraag ik, bevoegd hem te zeggen : ik ben van een ander gevoelen dan gij. Wij zijn alleszins bevoegd — en dat recht vindiceer ik voor mij zeiven — te aarzelen of wij durven toestemmen, of wij zijn gevoelen reeds tot het onze durven maken, daar wij nog niet genoeg geinstrueerd zijn; maar kunnen wij verder gaan ? Mozart ontving eens het bezoek van een jong dilettant van talent, die hem over eene groote compositie van Beethoven, toen juist verschenen, kwam spreken en te kennen gaf, dat hij die niet goed vond. Mijnheer, zeide Mozart, studeer het werk, begin morgen, zet die studie eiken dag voort, en kom na drie jaren eens terug.

Men wil in Indie behouden. Thans verzoek ik het woord meer in het bijzonder te mogen richten tot den Minister van Koloniën. Wil men dan ook, vraag ik, behouden wat mij tot dusver voorkwam anarchie te zijn in de verdeeling van bevoegdheid ter verantwoording tusschen het opperbestuur hier te lande en den Gouverneur-Generaal ? Zal het opperbestuur, in plaats hoofdzakelijk legislatief te worden, hoofdzakelijk een administratief bureau blijven? Ik geloof, Mijnheer de President, dat wij in Indie eene maatschappij hebben, die zich beweegt, ontwikkelt en begint te begrijpen dat zij naar hare eigene behoefte moet worden bestuurd. Verdient het, in zulk een toestand, niet dubbele overweging in hoeverre behouden zal worden hetgeen bestaat? Kan bij die verwarring van bevoegdheid en verantwoordelijkheid, bij dat gebrek aan zelfstandigheid, waarop ik meermalen meende aandachtig te moeten maken, het bewind in Indie zoo krachtig zijn als behoort?

Eene tweede vraag, waarop ik zelf na de Memorie van Beantwoording het antwoord kan geven: behoudt men de vrees voor de wet? Men behoudt die niet. Ik wensch den Minister daarmede geluk. Men behoudt de oude vrees voor de tusschenkomst der wetgevende macht niet. Ik zal niet opsommen hetgeen de Minister van Koloniën ons op dit gebied toezegt; ik betuig slechts dat ik het met groote voldoening las. In de comptabiliteitswet zegt hij ons niet toe de voordracht eener bepaling ten gevolge waarvan de Indische begrooting door de Vertegenwoordiging zou worden onderzocht. Mijnheer de President, ten aanzien van dat punt ben ik

noemd ; eene uitdrukking, echter, die de minister bjjna niet verontwaardiging van zich had afgewezen: „ik ben nooit zijn bondgenoot op koloniaal terrein geweest." De heer Th. nam de uitdrukking weder op.

Sluiten