Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zeg nu over dit hoofdpunt niet meer. Evenwel ben ik nog een enkel woord schuldig aan den geachten spreker uit Amsterdam (den heer Heemskerk). De geachte redenaar twijfelde, of de Grondwet van 1848 wel een zwaarderen militieplicht en vrijere gouvernementsbeschikking over de militie kent, dan die van 1815. Dit was den geachten spreker, gelijk hij zeide, niet gebleken uit de discussien over de herziening. Dit laatste bevreemdt mij niet, want zooals reeds werd opgemerkt, die discussien geven zeer weinig licht. Maar het verschil wordt uit eene bloote vergelijking der beide grondwetten klaar. Daaruit zal het aan ieder en aan het geëerde lid bovenal duidelijk worden, dat bij de Grondwet van 1848 op den dienst de militie meer gerekend wordt dan bij de Grondwet van 1815.

Ik kome tot het andere punt, art. 2 van mijn amendement, de bepaling der sterkte. Er is drieërlei systeem, een maximum, een fixum, en hetgeen ik de eer had aan de Vergadering te onderwerpen, eene jaarlijksche regeling.

Een maximum, waarbij de vaststelling van het juiste cijfer aan Koninklijk besluit wordt overgelaten, is geene regeling of bepaling van de sterkte, vooral niet voldoende, wanneer de Grondwet eischt, dat de sterkte worde bepaald of geregeld door de wet.

Een fixum. Is er wezenlijk onderscheid tussclien de bepaling van een fixum bij de wet en de bepaling van een maximum? Zal het fixum niet altoos een maximum moeten zijn? Mij dunkt ja. Bij de bepaling van een fixum vervallen wij dus in dezelfde feil, welke de bepaling van een maximum doet afkeuren.

Er blijft dus over, de sterkte van iedere lichting jaarlijks te bepalen, hetgeen natuurlijk zal geschieden met betrekking tot hetgeen wij hebben, dat is, tot hetgeen onder de wapenen is of kan worden geroepen. Dat kan niet, zegt de Minister van Binnenlandsche Zaken, en zijn betoog, om die onmogelijkheid te bewijzen, heeft mij levendig een ander geestig betoog herinnerd, dat wij eens van een geacht lid dezer vergadering hebben gehoord, — het was de geachte spreker uit Gouda, de heer de Brauw, — die ons voorhield, dat wanneer men duidelijk, stuk voor stuk, beschreef hetgeen er gebeuren moest, voor dat men tot opening onzer vergadering en tot een aanvang der werkzaamheden kon komen, het oogenblik van gewone sluiting zou genaderd ja somtijds verstreken zijn, eer een ernstig begin ware gemaakt.

Volgens den Minister kan het voorstel, dat niet vóór de maand Januari zou kunnen worden ingediend, de maand Januari namelijk van het jaar, waarin de lichting zou moeten geschieden, niet wel voor Maart wet worden, en dan moet er niet veel gedachtenwisseling en niet veel discussie plaats hebben. Doch waarom is men verplicht zoodanig ontwerp eerst in de maand Januari hier in te

Sluiten