Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik antwoord op de eerste bedenking, dat een maatregel van bestuur, die geheel en al zou liggen buiten de perken der wet op het beleid van de regeering in Indie en buiten de perken der Grondwet, niet zou mogen genomen worden, doch dat een voorstel daartoe aan den Raad van State onderworpen, door hem zou moeten worden overwogen, gelijk alles wat hem van Koningswege onderworpen wordt, evenwel, zooals ik vertrouw, met de opmerking in het advies, dat dergelijke maatregel onwettig zou zijn. En dit geldt bij alle stukken die onder den naam van algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan den Raad van State mochten worden onderworpen, indien hij oordeelde dat hier geen algemeene maatregel van inwendig bestuur, maar eene andere soort van Koninklijk besluit te pas zou komen, ot dat het stuk streed met de wet zelve, tot welker uitvoering het bestemd ware. Dan zal de Raad die opmerking maken en alzoo het Gouvernement voorlichten of waarschuwen; maar eene exceptie tegen de vervulling der plichten, door de wet en reeds bij de Grondwet aan den Raad opgelegd, zou hij uit de door mij voorgestelde bijvoeging nimmer kunnen ontleenen.

De Minister voert mij vier bedenkingen te gemoet. Vooreerst: hetgeen ik wensch behoort niet in deze wet dan alleen in zoo verre daardoor op eene niet twijfelachtige wijze mocht worden uitgemaakt, over welken maatregel van bestuur de Raad moet worden gehoord.'' Mijnheer de Voorzitter, sedert jaren is de behoefte om eindelijk eens op een zeker, vast terrein, wat betreft de algemeene maatregelen van inwendig bestuur, te komen, gevoeld en aangedrongen; en telkens wanneer er sprake was van wetten, waarin dergelijke bepaling verlangd werd, heette het: die bepaling behoort in eene andere wet. In de laatste jaren is steeds gezegd: zij is aan de wet tot regeling van den Raad van State voorbehouden. En nu zegt ons de Minister: in deze wet wil ik de bepaling niet, tenzij wanneer zij alleen strekke om het onderscheid te doen kennen tusschen maatregelen van inwendig bestuur, die onderworpen moeten worden aan den Raad van State, en andere maatregelen van bestuur. Aldus volgt men eene taktiek om tot eene juiste vaststelling van hetgeen ieder als behoefte erkent nooit te geraken.

Hetgeen de Minister verlangt is geenszins het hoofddoel van mijn voorstel, en schijnt mij ook niet eene zaak van het uiterste gewicht. De Raad toch moet alles overwegen, hetgeen van Koningswege te dien einde aan hem zal worden toegezonden. Mijn hoofddoel is, zooals ik de eer had te zeggen, het wezen van een algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te wijzen. Dat wezen ligt in regeling van uitvoering, en nu meen ik opnieuw te kunnen beweren dat uitvoering, in die laatste plaats niet vast aan eene wet, in de lucht hangt.

Sluiten