Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O November. Bij de algeineene beraadslaging over het ontwerp van wet tot opheffing van het eollatierecht, voor zoover het aan den staat behoort (verg. hiervoor, blz. 337).

Herziening der provinciale reglementen op de administratie van de on sen d< 1 gemeenten van het hervormd kerkgenootschap? of opruiming?

Ik behoef met te verzekeren dat ik mij over dezen maatregel verblijde. Zoo ik er een woord over te zeggen heb, dan zal dit woord te pas komen bij de deliberatien over het eenig artikel en over het considerans. Wellicht zal ik aan de Vergadering en aan i en Minister eene kleine wijziging in bedenking geven.

Hetgeen ik nu wensch aan te roeren betreft hetgeen de Minister zegt op bladz. 3 der Memorie van Beantwoording. De Minister spreekt daar van „de van dit departement uitgegane voorbereidende maatregelen tot herziening der provinciale reglementen op de administratie der kerkelijke fondsen van het Hervormde kerkgenootschap, waarmede men in verband wenscht te brengen eene erziening \an de niet deze aangelegenheid in verband staande bes uiten en verordeningen." Ik denk dat hier in plaats van „kerkerkehjke tondsen van het Hervormde kerkgenootschap" moet gelezen worden „fondsen van de gemeenten van het Hervormde er genootsc ap , want het zijn de plaatselijke gemeenten die ondsen bezitten en tot wier beheer ook de reglementen, van wier herzienig sprake is, alleen betrekking hebben.

Ik denk dat het mij geoorloofd is hierover thans een woord in het midden te brengen, nu de Memorie van Beantwoording onze aandacht op het onderwerp vestigt. Zoo dat mij geoorloofd is, wensch ik daarvan gebruik te maken om eene vraag aan den Minister voor te leggen.

Het Departement voor de Zaken van de Hervormde en andere erediensten kan, geloof ik, een archief van de meest zonderlinge es uiten worden genoemd. Men zou het een tweede kabinet van zeldzaamheden kunnen noemen. Den ernstigen ijver van den Minister om die besluiten, voor zooveel zij invloed hebben in het leven en de maatschappij, op te ruimen, zooals hij reeds begon te doen, zal ik nu en later steeds ondersteunen.

Wat de zaak. die mij op dit oogenblik in het bijzonder voor den geest is, betreft, begin ik met een voorbeeld, dat mij leiden zal tot de vraag, die ik aan den Minister te doen heb.

Ik vinde in het Staatsblad een algemeenen maatregel van inwendig bestuur van 16 Augustus 1824; waarbij in art. 1 gezegd wordt: „Alle kerkelijke besturen en kerkelijke administratien zullen zich zorgvuldig wachten, van eenige bestellingen of beschikkingen te maken omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk hij de bestaande wetten, reglementen, orders of imtructien is opgedragen."

Sluiten