Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZÜ is echter met welwillendheid gedaan en ik wil haar dus welwillend en oprecht beantwoorden.

Ik ben waarlijk in vorige tijden niet in gebreke gebleven de aandacht van mijn ambtgenoot voor Oorlog op het belang van regeling bij de wet te vestigen. Nooit ontving ik een antwoord, dat mij afschrikte, op de vraag of het verzoek terug te komen. Ik werd gewezen op moeilijkheden; moeilijkheden die, zoo ze te overwinnen waren, door den Minister van Oorlog moesten overwonnen worden. Ik behoef den geachten spreker uit Steenwijk niet te herinneren, dat de omgang tusschen Ministers niet kan medebrengen dat de een den ander dwinge. Men kan in overweging geven en dan moet de Minister, die voor de zaak verantwoordelijk is, weten wat te doen. Vrijmoedig wil ik daarbij voegen waarom het mij wel te rechtvaardigen scheen wanneer de Minister zich op moeilijkheden beriep. Zoolang ik in vorige Ministerien het Departement van Oorlog gekend heb, was het op het gebied van organisatie en wetgeving niet zeer vaardig noch sterk.

De Belgische wet mag niet als voorbeeld worden gesteld, zegt de afgevaardigde, want zij is vier maal herzien. Is dit een argument tegen de wet? Herziening van tijd tot tijd kan bij zulk eene wet niet bevreemden; maar is zij afgeschaft ?

De heer Bergiuann acht zoodanige wet — en dit is eene tegenwerping door hem inzonderheid tegen den heer Stieltjes, die hem voorafging, in het midden gebracht — strijdig met de Grondwet. De geachte afgevaardigde duide mij niet ten kwade dat ik mij daarbij de niet heldere dagen vóór 1848 moest herinneren, toen al wat men niet wilde strijdig was met de Grondwet. Het tegenbetoog is in vroegere jaren zoo dikwerf geleverd, dat ik mij daarvan wel ontslagen mag rekenen. Ik acht mij alleen verplicht te antwoorden op de bedenking van den geachten afgevaardigde, wat de voorstellen van het Comité van Defensie betreft. „Indien die voorstellen — zeide hij — in eene wet waren veranderd, zouden wij nu met die wet verlegen zijn.'' Het Comité van Defensie was van den beginne af een adviseerend Comité, en de tegenwoordige Minister van Oorlog beschouwt het, terecht, nog steeds als zoodanig. Hetgeen als stelsel in de adviezen van dat Comité kan zijn opgebouwd, is successievelijk van jaar tot jaar geschied. Was er ooit een geheel afgerond, volledig plan van verdediging, ontworpen door het Comité? Ik weet het niet; maar gesteld dat plan ware — wat de hoofdtrekken betreft, en daarvan spreek ik alleen — door den Minister goedgekeurd en veranderd in eene wet, dan zou zulks gebeurd zijn na openbare discussie deigronden, waarop die organisatie moest berusten. En zouden wij dan met die wet verlegen zijn? Integendeel, de openbare discussie der gronden zou de zaak in een helder licht hebben geplaatst en de behoefte aan herziening te eer hebben doen uitkomen, zoo daartoe reden bestond.

De heer de Roo zeide in eene vorige rede, dat art. 189 der

Sluiten