Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt vervolgens het Eindverslag over de schutterijen in, dan zal de Kauier naar goedvinden liet tijdstip der openbare discussie

kunnen bepalen. Maar thans kan geene bedenking, aan de scliutterijwet ontleend, ons in den weg staan.

Het voorstel van den heer Th. werd met 49 tegen IC stemmen goedgekeurd.

Interpellatie over de Luxemburgsohe aangelegenheden.

Ik las gisteren avond in de Staatscourant van heden een autwoord van den Pruisischen president-minister, den heer von Bismarck, op eene interpellatie in eene vergadering van den Noord-Duitschen llijksdag.

De Minister werd geïnterpelleerd over de betrekking van het Groothertogdom Luxemburg tot Duitschland en antwoordde: „dat hij geen reden heeft, aan te nemen dat reeds over het toekomstig lot van het Groothertogdom beslist is. Hij kan het tegendeel natuurlijk niet met zekerheid verklaren; hij kan ook niet met zekerheid weten of, zoo er nog geene overeenkomst tot stand gekomen is, zij misschien eerlang tot stand zal komen." De Minister voegt er bij dat de eeiiige aanleiding voor de Pruisische Regeering om officieel kennis van die quaestie te nemen, die was, welke hij nu opgeeft. Hij noemt twee feiten. Van het eerste spreek ik niet. „De tweede aanleiding — zegt de heer von Bismarck — was die, dat de Nederlandsche Regeerinj' door haren gezant alhier ons hare

o o o

goede diensten aanbood ten behoeve der door haar veronderstelde onderhandelingen tussclien Pruisen en Frankrijk over het Groothertogdom."

Hierover deed ik gaarne enkele vragen aan den Minister van Buitenlandsche Zaken. Ik verzoek dus de Kamer dat zij mij daartoe verlof geve.

Het verlof werd gegeven.

5 April.

Sedert geruimen tijd hebben wij, tot ons verdriet, bijna dagelijks kunnen opmerken, hoe in geruchten en beschouwingen, soms hartstochtelijke, geenszins welwillende beschouwingen, over een afstand van Luxemburg, — men pleegt zelfs eene uitdrukking van mindere belangloosheid te bezigen — Nederland werd genoemd als partij.

Ik was reeds bedacht gelijken aandrang te bezigen als ik mij veroorloofd heb in 1858. Toen gold het handelingen in Luxemburg, die eene algemeene afkeuring ook in Duitschland hadden gevonden, niet-constitutioneele haudelingen, handelingen, waaraan eene Nederlandsche Regeering zich niet schuldig moet kunnen maken, doch waaraan men trachtte Nederland medeplichtig te doen schijnen. Ik heb toen aan de Regeering het verzoek gedaan, zooveel

Sluiten