Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der schutterijen, ook in tijd van oorlog, niet gelieel uitwisschen. Inderdaad echter zou, indien zijn stelsel en dat van den Minister van Oorlog doorging, bij onze schutterijen iets dergelijks gebeuren, als men ziet bij de Pruisische armee. Pruisen telde vóór de jongste annexatien acht provinciën; iedere provincie had een eigen corps uit hare ingezetenen samengesteld; alleen voor de garde werd uit alle provinciën gerecruteerd. De op zich zelve staande corpsen, samengesteld volgens art. 130 uit de oudgedienden der landmacht, zouden, wat wezenlijken dienst en bruikbaarheid betreft, voor de schutterijen subintreeren. Dat die corpsen dan niet meer het karakter hebben, hetgeen schutterijen in het belang der verdediging, zooals ik de eer had te zeggen, en door den heer Stieltjes zoo juist werd ondersteund, moeten behouden, is duidelijk. De band van medeburgerschap, welke hen verbindt die te zamen zijn opgegroeid, elkander als vrienden, buren of magen kennen en te zamen dienen, onderscheidt de schutters van soldaten zonder betrekking tot eenige plaatselijke maatschappij of daarvan geïsoleerd. Een dergelijke isoleering zou hier op een gedeelte der schutterijen worden toegepast.

Welk gedeelte? De voordracht zegt dat duidelijk. Volgens den Minister van Oorlog is de meening, de geoefenden van de ongeoefenden te scheiden, zooals er bij alle corpsen onderscheiden worden. Maar het geldt hier anderen, door art. lli bepaaldelijk aangewezen, degenen namelijk, „die uit 's Ilijks landmacht ontslagen zijn."

In oorlogstijd, beweert de Minister, kan het noodig zijn de goede elementen uit de corpsen te nemen. Mij schijnt dat, onder verbetering, enkel verzwakking.

De Minister herinnert de wet van 1827 ; inderdaad gewaagt deze van oprichting van keurcompagnieen. Doch zal eene bepaling, als nu wordt voorgedragen, het uitwerksel hebben, hetgeen de Minister belooft? De Minister stelt zich voor, dat door instelling van keurcorpsen de ambitie van de achtergestelden zal worden aangewakkerd. Dat zou, dunkt mij, een geheel nieuw verschijnsel zijn. Veeleer zal gelijkheid van eer en van dienst het meest in staat zijn ambitie in stand en in gang te houden.

Het gemeentelijk karakter der schutterijen, hetgeen, meen ik, gehandhaafd moet blijven, sluit niet uit, dat een bataillon of eene compagnie uit de ingezetenen van meer dan ééne gemeente samengesteld worde. Maar de geest van de Grondwet en de grondgedachte van dit onderwerp eisclien dat ingezetenen, compagnieen en bataillons, hetzij van kleine, hetzij van groote gemeenten, zooveel mogelijk samenblijven. Er kunnen enkele exceptien wezen; een corps kan gedecimeerd worden; oorlogsgebeurtenissen kunnen tot bijzondere samenvoegingen noodzaken. Met de oorspronkelijke, lokale samenstelling behoort althans voor het eerste gebruik in tijd van oorlog zooveel mogelijk regel, en de maatschappelijke samenhang in het strijdgenootschap behouden te blijven.

Sluiten