Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen vervallen, wordt van schorsing gesproken, en nu vraagt het geachte lid: Moet dan schorsing buiten regeling blijven? Zal de heer Thorbecke niet voorstellen, in de eerste alinea te lezen: „De officieren worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen?"

Ik heb tweeërlei antwoord.

Het schijnt mij niet noodig evenmin als aan de Regeeringen, die ontwerpen tot regeling der schutterijen indienden, de bevoegdheid tot schorsing afzonderlijk toe te kennen. Die bevoegdheid is bij den Koning, bij wien de bevoegdheid is om te ontslaan.

Voorts handelt de laatste alinea niet van schorsing in het algemeen, maar van eene bijzondere schorsing ten gevolge van een geding, genoemd onder 110. 2 en 3; zoodat bij het wegvallen dier alinea het algemeene recht van schorsing onaangeroerd blijft.

De regeering nam het eerste amendement van den heer Th. over; het tweede werd met 47 tegen 14 stemmen goedgekeurd.

24 Mei. Artikel 103. Jaarlijksche bezoldiging, toe te kennen aan de adjudanten, den kwartiermeester, de adjudanten-onderofficier, de sergeanten-majoor, de instructeurs enz. „Het bedrag — aldus stelde de regeering voor — wordt door den gemeenteraad vastgesteld in overleg met den commandant, onder goedkeuring van gedeputeerde staten."

De heer de Roo van Alderwerelt verlangde aan het artikel toe te voegen: „het bezoldigde gedeelte van het kader kan tot zoo vele diensten worden verplicht als volgens deze wet voor de twee klassen van oefeningen noodig worden geacht." Ter verdediging van zijn voorstel voerde hij aan, dat de adjudanten-onderofficier, de sergeantmajoors, enz., uit den aard der zaak tot de klasse der geoefenden zouden behooren; dus zouden dezen, krachtens art. 110, slechts tot tien oefeningen zijn gehouden, indien niet een bijzonder voorschrift hen tot meer oefeningen verplichtte.

Ik ben van het gevoelen van den heer Dam, dat het in dit artikel gevorderd overleg op eene introductie van den commandant in den gemeenteraad zou nederkomen. Onder eene vorige orde van zaken kwam het voor, dat de Gouverneur der provincie eene gemeente bezoekende, den gemeenteraad presideerde. Iets dergelijks zou hier gebeuren, wel geen presidium, maar toch een overleg, gelijk alleen tusschen de raadsleden onderling kan plaats hebben. Het ware eene inbreuk op de zelfstandigheid van den gemeenteraad. Overleg van dezen aard kan niet worden geboden. Iets anders is het, den commandant te hooren.

Doch hetgeen ik inzonderheid in overweging wil geven is het bezwaar, door sommige leden, vooral ook door den heer de Roo van Alderwerelt, geput uit de onderscheiding in twee klassen van oefening. Blijkens de mededeeling van den heer van 's Gravesande werd in de sectien en in de Commissie van Rapporteurs gevraagd: hoe zal het met de oefening der eerste klasse gaan, wanneer alle geoefenden zich daarvan kunnen onthouden? In mijne afdeeling is

Sluiten