Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkel bestaat in het kappen van hout of het halen van andere benoodigdheden buiten de mark der dessa. Ik wil niet betwisten dat er gevallen kunnen zijn waarin dat recht behoort te worden gedekt. Maar ik vrees, dat, zoo men daarin in het algemeen wil tegemoet komen, men tot eene nuttelooze, ja schadelijke beperking van het recht van uitgifte zal vervallen. Er is toch een groot onderscheid, of alle bewoners eener dessa op vaste plaatsen buiten den dessagrond hetgeen zij soms behoeven plegen te zoeken, dan of dit geschiedt door eenige weinige ingezetenen, van tijd tot tijd, meer als eene soort van roof dan als standvastige gewoonte. Kan

o o

men die en zoo vele tusschenliggende gevallen met juistheid onderscheiden? Gewis verdient het gebruik in het eene geval, gedurende eenigen tijd gemaakt, dan wellicht nagelaten en lateiweer naar de luim van sommigen hervat, niet op eene lijn te worden gesteld met de standvastige gewoonte van de gezamenlijke bevolking eener dessa.

Ik zal op dit punt de verklaring van den Minister en van andere leden afwachten om te oordeelen, in hoe ver art. 3, na de voorgestelde verandering van art. 2, gewijzigd moet worden of vervallen kunne.

Opheldering aan den heer Insinger.

Tweeërlei misverstand bij den geachten spreker uit Amsterdam, waartoe ik geene aanleiding hoop te hebben gegeven. De artt. 3 en 4 hebben met elkaar niets gemeen. Art. 4 ziet op ontginning, en art. 3 heeft betrekking op rechten, buiten de grenzen van den dessagrond uitgeoefend, zonder dat daarbij aan ontginning gedacht wordt.

Voorts, wat art. 4 betreft, heb ik voorgesteld te lezen: „Vóór het in werking treden dezer wet wordt door den GouverneurGeneraal bij ordonnantie bepaald, uit welke feiten eene door inlanders aangevangen ontginning van gronden, niet begrepen onder litt. c van art. 2, geacht moet worden te blijken." Een algemeen en blijvend voorschrift dus. Het feit behoeft enkel te bestaan; het kan over eenige of honderd jaren gepleegd en beoordeeld worden, met hetzelfde effect als bij de invoering dezer wet.

Als een stuk grond wordt aangevraagd — hernam de heer Insinger — en er heeft nog geene ontginning plaats gehad, mag dan de bevolking, omdat zij van haar recht tot op dat oogenblik geen gebruik heeft gemaakt, onteigend worden?

De heer Insinger onderstelt, dat eene aangevangen ontginning

O ' O O Oc5

de eenige reden is, waarom eene aanvrage tot uitgifte in erfpacht zou kunnen worden geweigerd. Wij zullen later zien dat er nog andere redenen zijn; het ontwerp noemt „redenen van algemeen belang." Maar tegenover een feit, dat als een aanvang van ontginning kan worden beschouwd, houdt zeer zeker het recht tot uitgifte in erfpacht op; daarmede alleen hebben wij hier te doen.

Sluiten