Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had dan op het recht van Limburg, om vrij te zijn zooals de provincie vrij was; dat hij daaromtrent geen woorden had verloren, maar eenvoudig afgewacht wat men van de zijde van Duitschland verlangen zou; dat hij geweten had zich te onthouden totdat het het tijd ware te spreken; dat hij zonder eenige beweging de vordering verbeid had die nooit gekomen is — dan zouden wij ons, geloof ik, steeds op een zuiver, elfen terrein, zonder collisie met eenige Mogendheid, hetzij Pruisen of Frankrijk, bevonden hebben.

Ieder zal gaarne erkennen: hetgeen eene Mogendheid als wij in den vreemde moet trachten bovenal te behalen en te behouden is moreele consideratie, of wil men een ander woord, vertrouwen. Hebben nu de gedragingen van den Minister, zijn heen en weer gaan tusschen Frankrijk en Pruisen — ik zal het nu niet manoeuvreeren noemen — moreele consideratie kunnen verwerven of verhoogen? Ik beken, Mijnheer de President, dat ik daaraan tot dusver twijfel. Mij dunkt, de Minister heeft meer gedaan dan hij behoefde en moest doen. De Minister is — ik zal het voorkomen, dat hij in mijn oog heeft, onbewimpeld kermerken — afwisselend te Parijs en te Berlijn zeer ontijdig en zonder eenige noodzaak met den hoed in de hand verschenen; en wanneer men daarmede den aanhef van de Memorie van Beantwoording vergelijkt, waar hij van de „gelukkige uitkomst zijner ambtelijke bemoeiingen" gewagende, „slechts in zoo verre den twijfel kan toelaten, of die uitkomst altijd een gevolg der maatregelen der Regeering was, dat dezelve geheel van Hoogeren zegen afhankelijk bleef," dan zal, geloof ik, de indruk niet nieuw zijn, zoo iemand zegt: wat minder geestelijke hoogmoed en wat meer diplomatieke hooghartigheid en beleid zouden een Nederlandschen Minister niet kwaad staan.

5 December. Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1868. Voorloopige vaststelling van hoofdstuk V (binnenlandsohe zaken\ Artikel 100. Subsidie tot rentebetaling over de gelden, te storten ingevolge de bepalingen der concessie voor de doorgraving van Holland, bekrachtigd bij de wetten van 24 Januari 1S63 (Stbl. no. 4) en 11 Juni 1864 (Stbl. no. 72). Opheldering aan den heer Pijnappel.

De rede van den heer Pijnappel noopt mij eenige weinige woorden te zeggen.

Vooreerst, ieder ziet, dunkt mij, dat spoedige voortzetting en voltooiing van de werken in niemands belang meer was of is, dan in dat van de Kanaalmaatschappij zelve.

Ten andere. Volgens den Minister zijn onderscheidene bestekken onder een vorig ministerie zonder tijdsbepaling voor de voltooiing goedgekeurd.

Ik heb de stukken, en zelfs de concessie, niet voor mij, en herinner mij de bijzonderheden niet. Maar ik geloof dat, wanneer men de geschiedenis der zaak met de stukken in de hand nagaat,

Sluiten