Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZITTING 1868.

2 Maart. Interpellatie van den lieer Th. over de ontbinding der kamer.

Niet gerustgesteld door de verklaringen, welke de minister van buitenlandsohe zaken omtrent zijn beleid in de limburgsche en luxemburgsche aangelegenheden had afgelegd (vergel. hiervóór blz. 90), had de kamer de begrooting voor buitenlandsohe zaken verworpen. Het kabinet in zijn geheel had zich dit votum aangetrokken, en aan den koning zijn ontslag aangevraagd. De koning, na zich eenigen tijd van beraad te hebben voorbehouden, had ten slotte, als antwoord, aan het ministerie de verzekering van zijn „ongekrenkt vertrouwen" doen toekomen, en de ontslagaanvrage niet ingewilligd. Na die beslissing — aldus was bij de sluiting deivorige zitting door den minister van buitenlandsohe zaken verklaard — „was een vernieuwd beroep van den koning op het getrouwe nederlandsche volk het onvermijdelijk gevolg geworden." Op een rapport aan den koning, waarin diezelfde gedachte was neergelegd, was toen, ten tweeden male binnen vijftien maanden tijds, de kamer ontbonden.

I)e verkiezingen, met ongemeene heftigheid gevoerd, hadden in den stand der partijen nagenoeg geene verandering gebracht.

Wij hebben gedurende de laatste uiaanden eene groote, ongemeene beweging in het land bijgewoond, ontstaan uit een maatregel die iedereen heeft verbaasd. Mij althans is niemand voorgekomen, welke dien tot op het laatste oogenblik niet onwaarschijnlijk, ja ondenkbaar achtte. Zóó overtuigd was ieder, dat ontbinding, om aannemelijk te zijn, noodzakelijk wezen moest.

De Grondwet had, dacht men, door haar voorschrift van gedeeltelijke ontbinding, aftreding van de helft der leden, om de twee jaren, gezorgd, dat de noodzakelijkheid eener algemeene ontbinding zich niet dan uiterst zeldzaam kon voordoen. Eene noodzakelijkheid slechts dan aanwezig, wanneer, tot bescherming of verzekering van dringende Landsbelangen, geen ander middel bestond.

Zij die zoo dachten, Mijnheer de President, hadden het Ministerie aan hunne zijde. In de ministerieele sluitingsrede toch van 28 December werd het besef „van gebiedende noodzakelijkheid" op den voorgrond geplaatst.

Welnu, welk dringend Landsbelang gebood 0111 binnen de vijftien

Sluiten