Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Öostenrijksehen Minister van 8 April 1867 te constateeren dat daarin die grondgedachte vervat is? Zij heeft niets ontnomen, geen eer of voorrang van ontdekking, aan wien ook.

Bij de conferentie, zegt de Minister, was de hoofdzaak niet onzijdigverklaring van Luxemburg. Welnu dan? „Het behoud van den vrede" zegt de Minister. Hing dan het behoud van den vrede niet van de onzijdigverklaring af?

Ik heb nu als lid der commissie genoeg gezegd, en voeg enkel nog een woord bij over hetgeen ik in mijne eerste rede ben voorbijgegaan, de conclusie. Na hetgeen het rapport zegt en daarover is gezegd, zou niets vreemder voorgekomen zijn dan eene andere conclusie dan die is voorgesteld. Zou de Commissie na dit rapport een goed- of afkeurend oordeel hebben kunnen voorstellen? Dan, en ieder zou dat gezegd hebben, moest het rapport de gronden, hetzij van goed-, hetzij var. afkeuring gediscuteerd hebben. Het eenige wat wij konden voorstellen, was: voor kennisgeving aannemen, gelijk dat voorgesteld is bij een vroeger rapport over het Londensche traktaat. De conclusie waartoe men van zelf komen moest, was die waartoe men gekomen is.

De conclusie van het rapport werd met 58 tegen 18 stemmen goedgekeurd.

De motie van den heer Blussé werd daarn.i met 39 tegen 34 stemmen aangenomen.

23 April. Staatsbegrooting voor het jaar 1868. Algemeene discussie. Het ministerie had de motie van den heer Blussé naast zich neergelegd. Nu de kamer de gelegenheid had laten voorbijgaan, om een afkeurend votum over het gevoerde buitenlandsch beleid uit te brengen, kon, naar het inzicht der regeering, in de motie van den heer Blussé een oordeel over „zaken" niet opgesloten liggen. Het ministerie had dus tot ontslagaanvrage geene aanleiding gevonden.

Tegen het eind van April kwam de begrooting in behandeling. De constitutioneele grieven tegen het kabinet waren in het verslag der kamer andermaal uiteengezet. In eene nota ter beantwoording van het verslag had de regeering eene poging gedaan ze te wederleggen. Bespreking van de nota.

Mijnheer de President, op het Eindverslag, de algemeene beschouwingen bevattende, is door het Ministerie zoo zonderling geantwoord, dat ik, die tot het verslag medewerkte, mij verplicht acht de gevoelens, daarin uitgedrukt, voor zooveel zij in de Nota der Regeering worden bestreden, nader te verklaren.

Inderdaad, Mijne Heeren, met dit Ministerie keeren wij terug tot het misverstand en de struikelingen over eerste constitutioneele waarheden, waaraan men bij de intrede of den aanvang van den constitutioneelen regeeringsvorm blootgesteld is. Zoo dat ik mij meermalen heb gevraagd: spreken het Ministerie en wij nog eene zelfde taal?

Sluiten