Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de behandeling van „de volkomen en bevredigende successen die verkregen waren en in het Londensche tractaat waren beeindigd", de moeilijkste en gevaarlijkste vragen aangeroerd. Dan, nadat er veel gebeurd was, de afstemming der begrooting, de ontbinding, de verkiezingen en de bijeenkomst der kamer hadden plaats gehad, en de regeering getoond had verzoenend tot de kamer te komen, had de heer Th. opnieuw de toorts der tweedracht ontstoken.

Waartoe, vroeg de minister, die oppositie, tenzij, omdat men op portefeuilles belust was, en op alle wijzen wilde trachten, de ministers van hunne zetels te verdringen? Waarom dan echter niet bepaalde grieven aangevoerd? Waarom wees de oppositie niet openlijk aan wat haar niet aanstond? Waarom werd niet een bepaald program tegenover dat van de regeering gesteld? Waarom werd niet gehandeld, gelijk Lord Russell in Engeland deed? Niet, toch, door het stellen van eene willekeurige kabinets-quaestie, maar door het naar voren brengen van bepaalde beginselen, het formuleeren van een bepaald programma, behoorde de oppositie aan de regeering hare eischen kenbaar te maken. Zonder dat aan de regeering het vertrouwen te ontzeggen, zou eene daad zijn van groote willekeur tegenover het ministerie.

Ik zie mij niet gaarne verplicht in deze discussie andermaal het woord te voeren. Doch zoo ik het ra de rede van den Ministei van Bimienlandsche zaken niet deed, zou dit ieder uwer bevreemden.

De meest klare zin van de tegenspraak van den Minister is zeer dikwijls en nu vooral, dat hy oppositie kwalijk neemt. Openbaart zich daarin een parlementair-constitutioneel Minister?

Die stemming vervoert hem eene taal en wapenen te gebruiken, die, meen ik en ik meen dat ieder van mijn gevoelen zal zijn, buiten deze zaal moesten blijven.

Wat doen degenen, welke de Minister met ,,gij 1 heeft aangesproken? Zal ik het op meer of zal ik het alleen op mij toepassen? Op mij alleen? Dan zeg ik: Ik vervul, met kalmte en zonder eenige persoonlijke aantijging, mijn plicht, wanneer ik hetgeen mij onjuist, onrecht, strijdig met 's lan'ds belang in het beleid van de Regeering voorkomt, aanwijze. Ik vervul met die aanwijzing den plicht, dien anderen, ook de tegenwoordige Ministers, toen zij op deze banken zaten, meenden te vervullen. Ik zal niet spreken van het verschil in de wijze, en zeg alleen dat ik — of wij, zoo ik met meer worde «renoemd — doe of doen waartoe ieder volksvertegenwoordiger

O

verplicht is.

Hoe bejegent hen de Minister? Hij roept tegen leden der Kamer, welke de begrootingen meenen te moeten verwerpen, het volk op. Hij bedreigt hen met de verontwaardiging des volks.

E11 wat voegt de Minister mij toe? Ik heb in het voorjaar van 1867 met de uiterste gematigheid, met terughouding, ten aanzien van het diplomatiek beleid eene waarschuwende stem doen liooren. Later heb ik mijn oordeel gezegd over het beleid, voor zoover het ons kenbaar was geworden. Bij den aanvang dezer zitting heb ik de Ministers in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden omtrent

Sluiten