Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de redenen oui de Kamer andermaal te ontbinden, gelijk ovei de wijze, waarop de liegeering bij het gebruik van dat Koninklijk recht was te werk gegaan. En mij, die meent, die overtuigd is daarmede zijn plicht te hebben gedaan, die aan zijn plicht tekort zou hebben gedaan, zoo hij op hetgeen hein onrecht, onjuist, strijdig met 's lands belang was vooi'gekomen, niet opmerkzaam maakte, mij wordt toegevoegd: „Gij ontsteekt de toorts der tweedracht.

Wanneer ik vraag: Is dat eene waardige taal? zijn dat edele wapenen? dan behoef ik het antwoord niet te geven.

In de stemming, waarin oppositie den Minister gemeenlijk brengt, vergeet hij wat uit zijne eigen stukken, handelingen en gezegden zonneklaar bleek, dat hij het Ministerie door den Koning zoekt te dekken. Thans zeggende: „wij hebben nooit 's Konings naam in het debat gesleept," vergeet hij hetgeen bij de interpellatie van 2 Maart betoogd en ik meen bewezen is: hij vergeet zijne eigen verdediging, die, wat de wederopvatting van het bestuur na gevraagd ontslag" en ontbinding der Kamer betreft, op niets anders nederkwam°dan op mededeeling van den wil des Konings. Ook eergisteren riep hij weder „de beslissing des Konings" in, „waarvan de ontbinding het onvermijdelijk gevolg was." Maar wij hebben over geene Koninklijke beslissing te oordeelen: wij beoordeelen het besluit deiMinisters om het bewind voort te zetten en de daarop gevolgde ontbinding der Kamer als ministerieele daad.

Opnieuw, Mijnheer de President, schenen mij de Ministers, sprekende van hunne verantwoordelijkheid, zich als advokaten te beschouwen, die den Koning te verdedigen hebben. Eene zeer onjuiste voorstelling. Kwame verdediging van den Koning te pas, dan zou, indien uwe verdediging onvoldoende bevonden wierd, de Koning zijn veroordeeld. Neen, de Koning is boven oordeel en verdediging; en de Ministers hebben niets anders te verdedigen dan hunne eigen handelingen.

Het Ministerie, vooral de Minister van Binnenlandsche Zaken, is echter zoo gewoon den Koning in te roepen, dat liij het op het oogenblik zelf, wanneer hij het doet, schijnt te vergeten.

In de Nota van Antwoord op het Eindverslag wordt uitdrukkelijk „de wil van den Koning" ingeroepen tegen het oordeel over de aanvulling van het Ministerie door nieuwe Ministers, in den toestand waarin het Ministerie toen verkeerde: de Kamer ontbonden en de verkiezingen voor eene nieuwe Kamer uitgeschreven. Doch wat beoordeelde men en keurde men af? Niets anders dan dat in dien stand van zaken nieuwe Ministers zitting hadden genomen.

Telkens verzekert ons de Minister: — wij hoorden het nog in zijne laatste rede: — „de Ministers genieten liet volle vertrouwen van den Koning". Waartoe dat verzekerd? Zitten Ministers, welke ook, aan die tafel anders dan op gezag van den Koning? Waartoe dat bijzonder persoonlijk beroep? Is dat de vrijheid, zelfstandigheid des Konings handhaven en waarborgen?

Sluiten