Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die ons in den aanstaanden herfst eene grondige herziening wil voorstellen, niet heeft goedgevonden dit stukje wijziging ook tot dien tijd te verschuiven.

Doch wij hebben nu niet deze voordracht te doen. Het begrip der wet in aanmerking nemende, zal men, geloof ik, verder moeten gaan dan de Minister. Het begrip der wet is, dat zij, die onderwijs geven in openbaren dienst, als daartoe aangesteld, vrij zijn. Hetzelfde begrip past de wet toe op andere beroepen, in latere nummers van tabel 14 genoemd, voor zooveel die ten gevolge van eene aanstelling van overheidswege uitgeoefend worden. Zoodra men nu dat begrip en dien grond verlaat, en zegt: ook de bijzondere schoolonderwijzers zullen vrij zijn van patent, dan is er, dunkt mij, niet ééne reden, om den vrijdom niet over alle onderwijzers in het algemeen uit te strekken.

Indien men over die wettelijke grens heengaat, binnen welken alleen de van overheidswege aangestelden vrij zijn, dan moeten niet slechts alle bijzondere onderwijzers vrijdom hebben, maar moet men, dunkt mij, terugkeeren tot de oorspronkelijke gedachte dezer belasting, zooals zij door de constituante in 1791 opgevat werd. Zij was toen enkel eene belasting op de bedrijven van „industrie en commerce", tot vervanging van de voormalige rechten der gilden, der maitrises en jurandes. Hetgeen men professions libérales noemt, die van arts en zoovele andere, viel buiten het kader der belastingwet. Is er reden om daartoe niet weder te keerenV

lk ben zeer voor de vrijstelling van iedereen, die onderwijs geeft, van allen die kundigheden of kunst mededeelen. Mijns inziens een echt liberaal beginsel. De Minister wees verleden Zaterdag terecht op de ongelijkheid, op de onrechtvaardigheid die zou ontstaan, wanneer men de vrijdommen over sommige anderen uitbreidde ; maar hier zal de grootste onrechtvaardigheid zijn, zoo men diegenen, die hetzelfde beroep uitoefenen, schoon niet in eene school, maar aan huis, niet vrijstelt. .

Met het onderwijs alle artes liberales te ontheften, is wellicht voor het oogenblik eene te zware greep; daarom keer ik terug tot het denkbeeld, dat ik in den beginne de eer had aan de Kamer voor te dragen. Het zou mij beter toeschijnen, indien de wijziging kon uitgesteld worden tot die algemeene herziening van de patentwet, die wij allen verlangen en die de Minister voor den herfst heeft toegezegd. Blijft echter de tegenwoordige voordracht gehandhaafd, dan is de gevolgtrekking niet te ontgaan, dat men evenzeer alle andere onderwijzers als die aan bijzondere scholen moet vrijstellen, ja tot de oorspronkelijke beperking der patentbelasting terugkomen.

Nader:

Het is mijne meening niet, de moeilijkheid, waarin de Ministei zich ten gevolge èn van deze voordracht èn van de voorgestelde amendementen bevindt, te vermeerderen. Ik zou die veeleer zooveel mogelijk willen wegnemen of vereenvoudigen. Ik zal opnieuw zeggen,

Sluiten