Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een verlangen, bij het Voorloopig Verslag te kennen gegeven. Maar beantwoordt de redactie wel aan de bedoeling van den Minister en aan den wensch der leden? Kan „door tusschenkomst van de kerkgenootschappen" niet aanleiding geven tot een omslag, dien de Minister zeker niet begeert? Onder kerkgenootschap verstaan wij het verband aller gemeenten welke tot ééne kerkelijke belijdenis behooren, een genootschap of door hoofden, individus, of door eene vergadering vertegenwoordigd. Kan de Minister tusschenkomst dier hoofden of vergaderingen bedoelen? Hetgeen bij het Voorloopig Verslag is verlangd en mij juist voorkomt is, dat gelegenheid gegeven worde aan de kadetten om godsdienstonderwijs te ontvangen overeenkomstig het verlangen en de keuze van de ouders of voogden, opdat niet het bestuur der Academie een bepaalden geestelijke of bedienaar van den godsdienst aanwijze. Is dit de wyziging, welke de Minister voorstelt, dan drukt zij de meening uit.

De minister liet nu de woorden „door tusschenkomst van de kerkgenootschappen" vervallen. Van „het verlangen en de keuze der ouders" te spreken, oordeelde de minister niet noodig.

Ik veroorloof mij alleen te zeggen, dat „overeenkomstig het verlangen van ouders of voogden" volgens mij beteekent: indien de ouders of voogden verlangen, dat de kadetten godsdienstonderwijs ontvangen; en dat „overeenkomstig de keuze" ziet op de personen, die dat onderwijs aan de kadetten zullen geven; eene keuze niet aan den gouverneur der Academie, maar aan de ouders over te laten.

De woorden werden alsnog ingevoegd.

Artikel 7: «Hij, die tot kadet wordt toegelaten, is verbonden om den staat als militair gedurende den tijd van tien jaren te dienen.

„Door ons kan in bijzondere omstandigheden ontheffing van de verdere vervulling dier verbindtenis worden verleend."

De heer van Houten drong op verwerping van het artikel, dat z. i. onnoodig en ondoelmatig was, aan.

Tweeërlei vraag; vooreerst, wat de eerste alinea betreft. Ik laat de vragen daar, waarin men zich begaf, over de hardheid, die er in gelegen kan zijn, wanneer een jong mensch van de Academie verwijderd of verpiicht wordt bij de troepen te dienen; ik laat de oplossing van zulke gevolgen, zoo zij al noodzakelijk aan dit beginsel verbonden mochten zijn, ter beantwoording van den Minister. Mijne vraag betreft het beginsel. Tegenover het verbonden zijn volgens de eerste alinea van het artikel staat eene volkomen vrijheid aan de zijde van den kadet om de Academie te verlaten. Kan die vrijheid worden geschonken? Is de toestand van den militairen kadet die van een jongmenscli aan eene kostschool, die baloorig wordende, geen lust in het onderwijs meer hebbende, hier of daar aanstoot vindende of gevende, zijn hoed neemt en de school verlaat?

Sluiten