Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op Java is het grondrecht volksrecht, de oude Romeinsche consuetudo, gewoonte; in en door de samenleving feitelijk gevormd, is liet niet, gelijk zoo vaak een wetboek, enkel kleed, maar een ieder natuurlijk; eigenschap van het volk, gelijk zyne taal. Eu op het zoo geformeerde grondrecht berust het gemeentelijk organisme. Hierna behoef ik niet méér te zeggen tot verklaring, waarom ik, zoo deze wet in die orde van ontwikkeling een stuitende greep deed, desnoods aan het hoofd der tegenstanders zou staan.

Maar wat doet deze wet, deze alinea?

Zie ik wel, dan doet zij niets anders, niets meer en niets minder, dan dat zij het beginsel van art. 147 der Grondwet, art. 77 van het Regeeringsreglement, op het inlandsch grondbezit toepasselijk verklaart.

Is dat eene „gewaagde oeconoinische regeling!"?

De alinea doet hetgeen ik in Mei 1866, in den loop van eene merkwaardige discussie, als de slotsom van mijn betoog, zoo ik mij wel herinner, met deze woorden verlangd heb: „geef zekerheid, maak het grondbezit van den Javaan onaantastbaar, gelijk onze eigendom het is."

Zeer terecht, ook in het tegenwoordig debat, is meii opgekomen tegen iedere poging ten gevolge waarvan de Javaan en zijn land ten prooi kon worden van baatzuchtige partikuliere ondernemers. Deze wet schenkt den waarborg, dat ook het Gouvernement het grondrecht van den Javaan zal moeten eerbiedigen.

Het is de verwezenlijking der Koninklyke proclamatie van Juli 1866, waartegen de heer Heemskerk, die voorstelt deze alinea weg te laten, gewis niet protesteeren zal; de proclamatie waarvan de woorden ons herinnerd worden in de Memorie van Toelichting zeggende: „dat de Koning aan de inlanders, die grond bezitten in individueel en erfelijk of gemeentelijk gebruik de erkenning van het recht op dat gebruik wil verzekerd hebben".

Mjjns inziens is deze alinea de hoofdbepaling der geheele voordracht, de bepaling van de grootste en minst twijfelachtige gevolgen.

Wat zegt zij? De Javaansche grondbezitter, individu of gemeente, zal zoo min van zijn bezit kunnen worden ontzet, als wij van hetgeen onze wet eigendom noemt. Zijn grondrecht wordt onder de hoede gesteld van den sterksten waarborg, dien de wet aan eigendom verleenen kan.

Het tegendeel derhalve, zoo ik mij niet bedrieg, van hetgeen ons werd voorgehouden, dat wij met deze wet het grondbezit mobiliseerden, of den bodem van Java verhandelbaar maakten. Zie ik wel, dan wil deze alinea juist het omgekeerde, behoud van het gevestigde grondrecht in het maatschappelijk verband, waarin het bestaat.

Wanneer deze wet niet alleen uitgevaardigd wordt, maar het gevoel van de zekerheid, daarmede aan den inlander geschonken, doordringt tot het volk, dan zal hij beseffen dat hij onder een rechtvaardig bestuur leeft hetgeen hem beschermt gelijk het den

Sluiten