Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet de eenigen in deze vergadering — de langdurige zomerberaadslagingen over het Indische Regeeringsreglement. Heeft toen iemand er aan gedacht, dat, wanneer het llegeeringsreglement spreekt van verkoop van gronden, daaronder ook die verstaan konden worden die aan een ander dan den Staat behoorden, of andere gronden dan die wij domein noemen? Ik herinner het mij niet, en zou meenen, aan liet llegeeringsreglement zelf een bewijs, dat ik met recht twijfel, te kunnen ontleenen. Vooraf echter de vraag, of op de theorie, welke de heer Heemskerk uit de Memorie van Toelichting aanhaalt, de bevoegdheid, om gronden in erfpacht uit te geven, berust?

Wanneer van verhuur van gronden, en nu bij dit voorstel van uitgifte van gronden in erfpacht, gewaagd werd, heeft dan de Minister of een der leden van de Kamer aan andere gronden gedacht dan aan die, welke aan niemand anders toekomen? Is die onderscheiding tusschen hetgeen aan den Staat en hetgeen aan anderen behoort niet ook blijkbaar bij vergelijking van de 2e alinea met de lste in het ontwerp van den Minister?

Mijns inziens is er verband, eenheid van beginsel, tusschen deze alinea en de voorgaande in dit voorstel van wet, en evenzeer verband en eenheid van beginsel met de 3de alinea van art. (52 van het tegenwoordig Regeeringsreglement: „De GouverneurGeneraal kan gronden uitgeven in huur volgens regels, bij algemeene verordening te stellen. Onder die gronden worden niet begrepen de zoodanige, door de inlanders ontgonnen of, als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde, tot de dorpen of dessa's behoorende."

Bijaldien nu nog mogelijk is, hetgeen ik tot Zaterdagmorgen, toen ik den geachten spreker uit Gorkum hoorde, voor niet mogelijk gehonden had, bijaldien de gedachte nog ergens voet kan hebben, dat het Gouvernement algemeene landeigenaar van Java is, met den grond kan handelen naar willekeur, en zoo ook de gronden, die aan de inlanders toekomen, kan verkoopen, dan is het hoog tijd dat wij met deze 3de alinea tusschen beide treden en aan dergelijke gedachten de deur voor altoos en voor goed sluiten.

Ten slotte twee vragen aan den Minister.

Wij lezen in de 3de alinea: „Over gronden, door inlanders voor eigen gebruik ontgonnen, of als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen behoorende, wordt door den GouverneurGeneraal hetzij ten algemeenen nutte hetzij ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur niet beschikt, dan op den voet van art. 77."

En in de 4de: ,,Grond, door inlanders in erfelijk individueel gebruik bezeten, wordt, op aanvraag van den rechtmatigen eigenaar, aan dezen in eigendom afgestaan."

Mijne vraag aan den Minister, waarop ik zijn antwoord gaarne ontvang, schoon de vraag voor mij geen vraag is: omvat de waarborg, dien de 3de alinea schenkt, ook den grond, waarvan in de

Thorijecke, Parlementaire redevoeringen, 18(39—1S70. 15

Sluiten