Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liii een subsidie dat hij sedert vele jaren gaf, thans intrekken zal. Was dat subsidie, voor zooveel men het aan eene controle van het beheer der goederen vastmaakt, gegrond op de vertegenwoordiging van liet Staatsgezag in de college van provinciaal toezicht? Neen; want gelijk subsidie wordt geschonken aan andere gezindheden voor haar algemeen kerkgenootschappelijk bestuur, waarvan het toezicht op de kerkelijke goederen een deel uitmaakt.

Kon nu de vrijheid, aan het Hervormd kerkgenootschap hergeven, ten gevolge hebben dat men aanstonds het subsidie introk, alvorens een nieuwe, definitieve toestand gevestigd ware? Dan moest men het subsidie voor alle andere vrije kerkgenootschappen insgelijks intrekken.

Het komt mij dus voor, dat wij hier met niets anders te doen hebben dan met een eenvoudigen maatregel van overgang. Thans, nu er nog geen nieuwe regeling bestaat, zie ik geene reden om liet subsidie te onthouden.

Meermalen, en vóór jaren reeds, heb ik mij èn in de afdeelingen èn in de publieke beraadslaging verklaard voor de overweging deivraag: of, voor zooveel subsidien aan kerkgenootschappen geschonken worden, daaronder bijdragen voor het kerkgenootschappelijk bestuur hehooren? Ik meende, en het is mijn gevoelen nog, dat voor zoodanige bijdrage, bijaldien zij niet reeds vóór 1815 bestond, geene genoegzame reden pleit. En nu dunkt mij, wordt niets gewaagd, wanneer wij in den toestand van overgang tijdelijk voortzetten hetgeen wij steeds bijdroegen, ons voorbehoudende om later, zoodra de overgang zal volbracht zijn, de vraag te behandelen — de vraag die mij gewichtig toeschijnt — of men daarmede zal voortgaan.

De heer van Lynden ontkende, dat het hier een oud subsidie gold. De colleges van toezicht, waaraan vroeger subsidie gegeven werd, hadden, meende hij, in 1869 opgehouden te bestaan. Hetgeen nu genoemd werd algemeen college of provinciaal college van toezicht stond met de oude colleges in geen verband.

Wat de reden van den geachten spreker betreft, verwart hij niet de personen, aan wie het subsidie werd uitbetaald, met de zaak zelve? Het eerste is enkel eene comptabiliteitsvraag. Maar dat het een subsidie was en is ten behoeve van het kerkgenootschappelijk bestuur, dat is, geloof ik, boven allen twijfel. Hoe vruchtbaar, hoe rijk in argumenten, hoe welsprekend de redenaar moge zijn, nooit zal hij kunnen betoogen, althans niet overtuigend, dat, hetgeen in de omschrijving van den begrootingspost stond en staat, als toezicht op het beheer der goederen, niet een deel zij van het kerkgenootschappelijk bestuur. Niet met kerkbestuur te verwarren. In kerkgenootschappelijk bestuur is blijkbaar alle regeling vervat, die het beheer der goederen of het toezicht daarop betreft. En zoo stond in onze begrootingen het subsidie aan het kerkgenootschap der Hervormden steeds op ééne lijn met die, welke voor het kerk-

Sluiten