Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter de geachte spreker zegt: „beter preventief' dan repressief'; de oorlogsverklaring onderworpen aan het onderzoek der Kamer, in de afdeelingen onderzocht, bij een Voorloopig Verslag beredeneerd, ten laatste in discussie bij de Vergadering gebracht;" dan vraag ik, of deze dan ook niet het diplomatieke verkeer, dat steeds aan de oorlogsverklaring voorafgaat, in handen moet hebben V

Een laatste woord, Mijnheer de President. Ik hoorde van „niet bevredigde" liberalen gewagen. Ik hoorde, dunkt mij, zeggen: „maak het aan uwe vrienden niet onmogelijk u te ondersteunen". Mijnheer de President, ik zou kunnen antwoorden: maak ons de voortzetting en volbrenging onzer taak niet onmogelijk. Die onmogelijk te maken is zeer gemakkelijk; gemakkelijker onmogelijk dan mogelijk te maken.

Wij hebben in omstandigheden, die ieder kent, ons niet verantwoord gerekend wanneer wij ons onttrokken. Wij meenen daarmede een blijk van zelfverloochening gegeven te hebben. Wellicht vordert hetgeen wij behoeven, zoowel van vriend als vijand, ook eenige zelfverloochening. Is die te verkrijgen, het Land zal er wél bij varen.

Men heeft de jaren 1849 en 1850 ingeroepen. Ik verlang niet beter. Terecht zeide mijn oude vriend van Eek: „niet alleen bij het Gouvernement, ook bij de Kamer dient streven te zijn om tot stand te brengen." Daartoe behoort in de eerste plaats goede wil. Mogen Volk, Vertegenwoordiging en Gouvernement daarop rekenen, gelijk zij niet vruchteloos in 1850 deden V Dan zal het werk half gedaan zijn eer wij beginnen.

1 Mei. Hoofdstuk II der staatsbegrooting voor 1871. l>e heeren van Naamen van Eemnes, Lenting, Tak en van der Linden brachten de organisatie en den werkkring van den raad van state ter sprake. Zij verlangden, dat de wet van 1861 op verschillende punten aan eene herziening zoude worden onderworpen.

Het kan, dunkt mij, de meening niet van de geëerde sprekers noch van de Kamer zijn, dat wij de discussie over de wet van 18(51 thans heropenen. Het doel der sprekers zal bereikt worden, wanneer de Regeering zegt: het zijn gewichtige punten, die gij in hare overweging aanbeveelt, en die overweging zal plaats hebben. Dat op dit oogenblik meer zou kunnen worden bereikt dan dat, zal wel niemand gelooven. Wanneer ik ondernam, op de onderscheidene bedenkingen te antwoorden, daar waar mijn gevoelen afwijkend mocht wezen van hetgeen door de geëerde redenaars is voorgesteld, zouden wij komen in eene beraadslaging, die op dit oogenblik zeker geen resultaat zou kunnen hebben.

Als algemeen antwoord zeg ik dus dank voor de mededeeling der grieven, die men tegen de tegenwoordige instelling van den liaad van State heeft, en betuig ik mijne geneigdheid om die be-

Sluiten